Bathsheba

Servus

8.0
Guy Peters - foto's: Burning Moon - 22 juni 2017

Opvallen in het overbevolkte wereldje van de zwartgeblakerde doommetal en aanverwanten: het is weinig bands gegeven, maar het is exact wat het Limburgse kwartet Bathsheba klaarspeelt op zijn debuutalbum. Servus is een werk dat we even moesten laten bezinken, maar dat bij elke beluistering ook sterker overtuigt met zijn combinatie van water en vuur, aardse wortels en verheven aspiraties, vastberadenheid en twijfel.

Al moeten we hier nu ook niet te verwaand of te protserig zitten doen. Dit is geen hip snoepje van de dag, maar een band die de intentie en kwaliteiten heeft om te blijven. Niet te veel arty poespas. Met ervaring in een hele resem bands (van Death Penalty en Serpentcult tot Disinterred en Sardonis) hebben de vier van Bathsheba al de nodige bagage opgebouwd en wordt het snel duidelijk dat epateren niet het hoofddoel is. Integendeel: de band heeft een eigen sound/identiteit en verdiept die met een even simpele (of simpel lijkende) als efficiënte aanpak. Deels gevaarlijk en primitief, deels sensueel en occult. De bandnaam, gehaald bij een figuur die in verschillende (religieuze) tradities een andere, soms contrasterende invulling krijgt, is dan ook goed gekozen. Servus is niet eendimensionaal.

Opener en vroeg hoogtepunt “Conjuration Of Fire” geeft meteen heel wat mee over de favoriete blauwdruk van de band: een onheilspellende sample die gevolgd wordt door een loden riffprocessie die zich tergend traag en massief voort beweegt. Snel wordt echter duidelijk dat dit niet zomaar een plomp spelletje is in zo heavy of laaggestemd mogelijk spelen, maar dat de muziek hier ook doordrongen is van een diepgewortelde melancholie. En dan gaat het niet om de doffe zie-ons-hier-nu-eens-bezwijken-onder-het-leed-van-de-wereld-ellende die zoveel postmetalbands stilaan inwisselbaar maakt (sorry jongens) of ander vermoeiend geweeklaag, maar een soms verrassend pakkende (ja, toch wel) aanval op het gemoed. En die is in sterke mate te danken aan de performance van zangeres Michelle Nocon. Over haar later meer.

Bathsheba staat met een been in de gitzwarte traditie die Black Sabbath bijna vijftig jaar geleden op de kaart zette (en durf eens beweren dat die moddervette riff na een minuut of vijf in de opener geen ode is aan de machtige Birmingham 4), wat ervoor zorgt dat vaak wordt gespeeld met symboliek vol duisternis, mystiek en demonen allerhande, maar tegelijkertijd getuigt van een innerlijke gespletenheid en introspectieve verkenning; van pijn, het zoeken/vinden (of, nog interessanter, kwijtspelen) van een individuele kern, en het besef dat onvolmaaktheid en chaos altijd hun rol zullen spelen. Het zijn geen elementen die je moet meekrijgen om omver gekegeld te kunnen worden door Servus, maar ze zorgen wel voor een meerwaarde. En ze tonen aan dat metal zoveel meer kan zijn dan raggen met schuim in de mondhoeken.

Laat er echter geen twijfel over bestaan: hier wordt soms ook uitgehaald met een massieve voorhamer. De manier waarop “Ain Soph” uit de startblokken vlamt, herinnert aan de drieste bosjesmannen-op-het-slagveld-herrie van High On Fire, maar dan met een vaag black-randje en een kentering (00:36) die zelfs even lijkt te verwijzen naar Entombeds klassieke “Chief Rebel Angel”. Ronkende referenties, maar ze zijn slechts kleine stukjes in een raamwerk dat z’n eigen koers vaart. Een koers waarin de band het zich kan (durft?) permitteren om een saxofonist (Peter Verdonck, die rockliefhebbers misschien kennen van MannGold de Cobre) twee keer een solo te laten toeteren, en vrij spel te geven aan een zangeres die duidelijk past in de metaltraditie, maar deze songs een heel eigen sfeer bezorgt.

Nocon vindt regelmatig een behoorlijk indrukwekkend evenwicht tussen een soort afstandelijke verleidelijkheid, als sirene die je willens nillens naar duistere krochten sleurt, en een haast perverse schizofrenie, die tot uiting komt in de registers die ze beheerst, van gecontroleerde uithalen tot voluptueus gegrom en kerkergekreun. Ze is vrouw én sater, heen en weer geslingerd tussen vlees en bloed, leven en dood, schoonheid en uitzichtloosheid, of, zoals ze bezeten zingt in “Demon 13”: “Smelling the lilies and seeing the carcass”. Klinkt allemaal nogal theatraal, zeker als je niet houdt van (doom) metal en z’n rijke traditie van uitzinnige metaforen, symbolen en hyperbolen, maar Nocon is de ideale yin voor de yang van de (rest van de) band, getuige haar expressieve, “gave” zang in “Manifest” én de hondsdolle stemmenkermis waarmee ze “Demon 13” kleurt. En dat laatste is misschien nog wel het juiste werkwoord, want de stem zorgt voor verbreding van texturen in deze wereld van grijstinten.

Maar tegenover die stem staat natuurlijk ook een trio dat best indrukwekkende stoten uithaalt. De ritmesectie (bassist Raf Meukens, drummer Jelle Stevens) speelt soepel genoeg om wendingen vlot uit te buiten, maar weet ook wanneer een versnelling lager te schakelen, waardoor de songs blijven ademen en niet in de val van overladenheid trappen. Idem voor het gitaarspel van Dwight Goossens, die niet enkel een paar beestachtig lompe riffs (compliment!) uit de mouw schudt, maar ook durft soleren met melodie en … emotie (we vonden echt geen gepastere term). Zonder notenneukerij. En als na een half uurtje al wat metaalmoeheid zou kunnen opduiken (de band vult immers drie kwartier met amper zes nummers), dan valt ook daarna genoeg te beleven, zoals de knappe, exotisch getinte stemmenharmonieën en de manier waarop de drumsalvo’s de spanning de hoogte in jagen in “The Sleepless Gods”. Of de manier waarop afsluiter “At The End Of Everything” aanvankelijk eerder rondhangt in oorden van ritualistische folk dan metal en dan opnieuw intrigeert en neerveegt met die kleine, maar opvallende details die het verschil maken. En riffs met kloten als galiameloenen, dat ook.

Wat bij een eerste oppervlakkige beluistering iets heeft van een vrij traditionele doommetalplaat (wat ergens ook wel klopt, want de band blijft ondanks z’n eigen stijl en geluid ook flirten met de old school voorgangers), ontpopt zich gaandeweg tot een album dat ook echt een verhaal te vertellen heeft. Niet zomaar een bij elkaar gekwakte verzameling songs dus, maar een geheel waarin steeds nieuwe dingen opvallen en duidelijk wordt dat dit, veel meer dan een zangeres met een backing band, ook een (h)echte eenheid is. Eentje die voorlopig nog in de cd-lade geparkeerd blijft. Donderen maar!

Bathsheba speelt zaterdag 24/6 op Rodeofest. Meer info HIER.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Bathsheba