Zu

Jhator

8.0
Guy Peters - 14 april 2017

Bij Zu denken we meestal aan spastisch kabaal op de wip tussen freejazz en ontvlambare ketelherrie, die iets voor de decenniumwisseling verschoof naar de heavy kant van het spectrum. Dan zal Jhator voor een verrassing zorgen, misschien zelfs een confrontatie. Of wie weet, een teleurstelling. Al gaat de perplexiteit (want die gaat er gegarandeerd zijn) ook snel plaats ruimen voor het besef dat deze band eigenlijk niet in een hokje te plaatsen valt en dat dit een zoveelste bewijs is van hun rusteloze spirit.

Ooit noemden ze een song “Solar Anus” of “Tom Araya Is Our Elvis”, verkochten ze T-shirts met een hakbijl op en werkten ze samen met Eugene Chadbourne, Ken Vandermark, Mike Patton, Nobukazu Takemura en Mats Gustafsson. Ze inviteerden Barney Greenway van Napalm Death nog om te komen brullen op hun Goodnight Civilization EP uit 2014, maar Zu is ook de band die een verwarrende plaat, of eerder een auditieve film, maakte met Oxbows Eugene Robinson, die al jarenlang een fascinatie heeft voor sjamanistische culturen en exotische tradities, en waarvan de leden met de meest uiteenlopende en (soms) uitzinnige dingen bezig zijn. Toen de band na het loodzware Carboniferous een pauze inlaste, trok bassist Massimo Pupillo (zelf ook in de weer met FM Einheit, Oren Ambarchi en het filmisch georiënteerde Triple Sun) naar het Amazonewoud en naar Tibet, om er te gaan studeren. Dat liet z’n sporen na op Jhator, dat verwijst naar de zogenaamde "sky burials" (waar al letterlijk naar verwezen werd op het monsterlijk zware Cortar Todo (2015)), een traditie in die contreien.

Maar het trio haalde ook de Zweed Tomas Järmyr binnen, een monstertalent dat zich de voorbije jaren opwerkte tot een van dé drummers van zijn generatie. Al enkele jaren in de weer in improvisatie/drone-oorden met Yodok (met tubaspeler Kristoffer Lo) en Yodok III (het duo met Dirk Serries erbij bracht zijn laatste livealbum nog uit bij Consouling Sounds), maar ook achter de vellen bij grindcoreband Forræderi, de excentrieke bubblegumgozers van The MaXx en sinds enige tijd ook de Noorse heldenband Motorpsycho. Daardoor is hij ineens lid van twee van de meest langlopende en geliefde cultbands van Europa. ’s Mans fenomenale techniek, controle en muzikale verbeelding zullen alleszins bijgedragen hebben aan deze stap, die zelfs naar Zu-normen behoorlijk groot is. En dat wil wat zeggen.

Zoals ze zelf aangeven, is de belangrijkste referentie nu in feite Coil. Van het intussen legendarische en hypercomplexe samengaan van pompende baritonsax, elektrische bas en drums is hier geen sprake meer. Je moet al zoeken naar momenten waar je vermoedt dat er misschien een onder effecten bedolven sax in schuilt. Pupillo neemt nu ook immers synth en piano voor z’n rekening en er komt allerlei manipulatie aan te pas. De band huurde daarenboven extra volk in, waardoor tuba-flugabone (Lo), cello (Stefano Pilia), koto (Michiyo Yagi), draailier (Stefano Michelotti) en stem (Jesica Moss van A Silver Mt. Zion) deel uitmaken van het totaalbeeld. En dat gaat enorm in de breedte, met twee complementaire stukken die elk over de twintig minuten gaan.

Met rock-‘n-roll heeft dit geen uitstaans meer. Het is een trip, een ritueel, een bombastische opera die verwijst naar de emotionele opdoffers van Coil en Yodok III, waarin muziek een innerlijke logica volgt die via statige treurmotieven, stelselmatig opbouwende densiteit en zelfs inspiratie uit de musique concrète een wereld van sonische mogelijkheden uitprobeert. Het ene moment dus met een terneergeslagen riff die minutenlang verwerkt wordt, maar even later met een onvermijdelijke desintegratie, diffuus, met het huilende blaaswerk van Lo (dat klinkt als een kerkorgel), kortstondige keelzang en lagen (en nog meer lagen) synths op elkaar, tot het compleet uit elkaar dreigt te barsten. Jhator laveert binnen een relatief trage evolutie van soberheid naar voluptueuze grandeur.

Kent het openingsluik, “A Sky Burial” een dramatische finale waarin Järmyr een simpel, traag ritme aanhoudt, dan gaat het tweede luik “The Dawning Moon Of The Mind” van start met het kale kotospel van Yagi, dat snel vergezeld wordt door dreigende ondertonen en knetterende stoorzenders (die er ook al waren op Cortar Todo), als onderschepte ruimtetransmissies. Repetitieve ideeën voeren de luisteraar halverwege naar een euforische climax die omslaat in een tweede beweging, die o.m. door de zang van Moss naar een dromerige verhevenheid drijft. Het resultaat is opnieuw gevuld met de combinatie van genereuze en majestueuze spanning, waar vooral de latere Coil een patent op had.

Een makkelijke plaat is Jhator dus niet geworden, want deze beproeving lijkt wel het midden te willen houden tussen minimalisme, industrial, elektronica, avant-garde, ambient, en synthexperiment, en bij een eerste luisterbeurt voelt het ook aan alsof ze niet altijd goed weten van welk hout pijlen te maken. Gaandeweg wordt echter duidelijk hoe doelbewust hier gewerkt werd, hoe behendig tussen de genreconventies geslalomd, hoe gretig de speelzone uitgebreid. Een band als Zu zou het zich een pak makkelijker kunnen maken, met een tweede Carboniferous bijvoorbeeld. Dat ervoor gekozen wordt om die progressieve mentaliteit om te zetten in dit, strekt hen dan ook tot eer. Zu is een kameleontisch zwaargewicht, en nog lang niet uitverteld.

De band speelt op 14 april in de 4AD (Diksmuide) en 15/4 in de Magasin 4 (Brussel).

E-mailadres Afdrukken
Tags: Zu