Kelly Lee Owens

Kelly Lee Owens

7.5
Peter Vanwijnsberghe - 11 april 2017

Pop of techno: waar Kelly Lee Owens met haar debuutplaat heen wil, is niet helemaal duidelijk. Dat de plaat nog een afgelijnd signatuur ontbreekt, hoeft geen zorgen te baren. De jonge Welshe heeft talent.

Je moet behoorlijk wat stenen omdraaien om een vrouwelijke producer te vinden. Het is niet dat ze het niet kunnen. Veel van de techno die je vandaag in Berghain hoort, is een vertakking van het pionierswerk van Paula Temple. En op de as waar harde synths, K-pop en dreampop elkaar kruisen, regelt Claire Boucher (Grimes) alle verkeer. Toch blijven Logic Pro X en drummachines tot vandaag hoofdzakelijk mannelijke speeltjes.

Een van de recentste pogingen om het besloten clubje open te breken komt van Kelly Lee Owens. Ze is achtentwintig, Welsh en heeft een titelloze debuutplaat bij het Noorse label Smalltown Supersound. Op dat album pivoteert de jonge producer rond elektronica, al schurkt ze vaker dan eens dicht aan bij zachte pop noir.

Opener “S.O“ is glittergel. Op de bovenlaag zwemt Owens’ lichte stem met lange halen. De elektronische spielerei – delay op de drummachine, geloopte, zachte dubs – kan zo op een plaat van M83. Aan het einde van het droompoppertje ritselt een kralengordijn, de toegang tot Owens zolderplanetarium.

Met de titel van “Arthur“ toont Owens zich openlijk schatplichtig aan de genaamde Arthur Russell, de avant-gardist die de wereld op één enkele elektronisch-analoge soundscape kon uitsmeren. In het nummer blijft de ode gefluisterd; onder de natte, gladde beats valt Russells stempel nauwelijks op. Ook haar liefde voor zijn organische geluid uit Owens op haar eigen manier, door vogelgezang en dakgootregen tussen haar beats te vermengen. Bijna onhoorbaar, waarmee ze op een veilige afstand blijft van salonfähige gemeenplaatserij.

“Anxi.” is opvallender, en een pak donkerder. De Jenny Hval-collaboratie begint met een fade-in en lage beats die in bellen opborrelen. Hval, Noorse klopgeest met een neus voor het diepmenselijke, klinkt ook hier ijl, omineus en onwerelds, alsof ze geen stembanden nodig heeft om te zingen. Ergens halverwege de track stapelt Owens nieuwe elementen op het auditieve tableau. De loops versnellen en in een achterkamertje verslikt een computer zich in foutmeldingen. Ondertussen echoën meerdere Hvals, “I started talking and I kept talking and I started talking”. Een eerste hoogtepunt, dat het album gestalte geeft.

Vier nummers lang komen er geen genreoverlappingen of conceptnummers meer. Daarvoor vertrouwt Owens nog te veel op een geijkte modus operandi. In de eerste momenten van een nummer identificeert ze een melodie, die ze de daaropvolgende minuten in een sonorisch lappendoek naait, met beats en loopmachine als naald en draad. In twee tracks wordt geëxperimenteerd, zij het erg voorzichtig. “Bird” mikt op de benen, en volgt daarbij een weerbarstig xylofoonritme. “Lucid” begint traag, als een ballade met viool. Daarna komt het nummer gevaarlijk dicht in de buurt van dunne top 50-inzendinkjes. De break in het midden is conservatief clean en hoewel het invallende pc-deuntje al wat meer naar zweet ruikt, zal ook dat je shotglaasjes niet vullen met endorfine. Dat maakt het nog geen slechte track, alleen zijn andere beter.

Owens’ geflirt met pop doet je afvragen of de gespierdere clubnummers op de plaat nu zijsprongen zijn dan wel verhardingen van haar handelsmerk. In elk geval is dit het terrein waarop ze het meest overtuigt. “Evolution”, pal in het midden van de plaat, is een parel van een banger. Een synth blaast donkere rook terwijl Owens een selectie woorden proeft op haar tong. Er zijn snelle stompen en gemixte waterdruppels; luister naar de track door een degelijke koptelefoon en je waant je in een grot met stalagmieten en vochtige wanden.

De single “CBM” zit iets verder. Hij past in hetzelfde register van onderkoelde, spaarzame techno als “Evolution”. Op de platte backbeats zit een zuchtje frictie; de hele textuur doet denken aan een stuiterende basketbal in een sportzaal. Ondertussen wringt Owens uit haar knoppenkast een gedempt dopplereffect dat peristaltisch richting geeft. In het bestek van dit nummer – maar ook de plaat op z’n geheel - is er weinig ruimte voor melancholie. Colours, Beauty en Motion: alles mag even droom en roes zijn.

Kelly Lee Owens speelt op 15 mei in de Botanique in Brussel.
E-mailadres Afdrukken