Banner

For Tune Records

Een rechte lijn van de Poolse traditie naar jazz en improv

Joachim Ceulemans - foto's: Foto Dominik Strycharski: Karolina Jozwiak - 05 juli 2016

Probeer het maar eens te volgen, die buikloop aan nieuwe releases in de jazz- en improvisatiewereld. Labels die meer dan tien albums tegelijk op de wereld loslaten, muzikanten die eigen platformen oprichten om werk uit te brengen of er in slagen wekelijks nieuw materiaal digitaal beschikbaar te stellen via Bandcamp maken het samen schier onmogelijk om nog een degelijk overzicht te behouden. Goeie filters zijn meer dan nodig om er voor te zorgen dat waardevolle dingen niet ondergesneeuwd raken, zoals dat wel eens gebeurt met de releases van het Poolse label For Tune. Sinds 2013 is dit kleine platenhuis bezig aan haar missie om actuele jazz en improvisatie uit eigen land te verspreiden, waarbij het regelmatig internationale namen oppikt en tevens oog heeft voor Poolse traditionele muziek of kruisbestuivingen daarvan met een hedendaagse idioom. Wat volgt is een kleine selectie van de rijke For Tune-oogst van het afgelopen jaar.

Purusha :: Cosmic Friction

De debuutplaat van het trio Purusha verscheen in de zomer van 2015, maar bleef nagenoeg overal onder de radar. Nochtans heeft Comsic Friction meer dan voldoende in huis om liefhebbers van in soul en blues gedrenkte freejazz op sleeptouw te nemen. Pawel Postaremczak hoorden we de voorbije jaren met zijn tenorsax al uitgebreid loeien op de drie albums van Waclaw Zimpels HERA en op een trioplaat met Klaus Kugel en Ksawery Wójciński (Affinity). Bij Purusha vinden we hem terug in het gezelschap van bassist Wojciech Traczyk (die de meeste composities schreef) en drummer Pawel Szpura. Het drietal heeft duidelijk een zwak voor de fire music die in de jaren zestig aan de poten zaagde van het traditionele jazzgebeuren – de openingsminuten van “Blues in G” zeggen wat dat betreft genoeg – maar het weet die fascinatie gelukkig te vertalen naar iets dat ook vandaag nog spannend en relevant klinkt.

Eigenlijk zijn het vooral de opener en afsluiter van deze plaat die heel expliciet naar de toen revolutionaire muziek van onder meer John Coltrane en Albert Ayler verwijzen. Een overblazende Postaremczak creëert op tenorsax een rauwe, ongepolijste klank die regelmatig aan Charles Gayle doet denken en schiet daarmee alle kanten uit. Het vibrato dat hij daarbij opwekt in “Jesus Save My Soul From Me”, dat lijkt opgebouwd uit slechts een eenvoudige melodie, laat elke ruimte waarin deze muziek weerklinkt op haar grondvesten daveren. De ritmesectie vormt een hardnekkige tegenstem, maar vermijdt op elk moment de blinde powerplay. Door telkens weer opnieuw op elkaar in te haken, produceren Traczyk en Szpura een aangenaam wringende puls, een ritme dat geen ritme is.

De vier stukken die de buik van deze plaat vormen, tonen een meer gematigd, beheerst en op sommige momenten bijna meditatief trio, dat langs de ene kant een hoop dreiging uitstraalt in “Cosmic Friction”, maar even later in “The Ballad Of J. And The Mountain” bijna smekend ten onder lijkt te gaan. In eender welke context slaagt Purusha erin om de verbeelding te prikkelen of de adrenaline te doen stromen. Hopelijk volgt de erkenning voor dit trio snel.

Dominik Strycharski Core 6 :: Czôczkò

Ooit al van Kasjoebië gehoord? Wij niet. Of toch niet tot we eerder dit jaar Czôczkò van fluitist Dominik Strycharski voorgeschoteld kregen. Op dit bijzondere album staat de traditionele muziek van de Kasjoebische regio (een streek in het noorden van Polen) centraal, waarbij Strycharski samen met vijf andere muzikanten binnen dat stokoude repertoire op zoek gaat naar raakpunten met andere muzikale culturen. In Polen is de interesse (of is het eerder een bezorgdheid?) voor zowel seculiere als religieuze traditionele muziek groot, dat konden we al zien bij jazz- en improvisatiegroepen als Ircha, Shofar, HERA en Cukunft, en bij een modern folkgezelschap als Kapela ze Wsi Warszawa (Warsaw Village Band). Ook Strycharski sluit met dit project nu aan in dat lange rijtje, dat dankzij enkele originele kruisbestuivingen al vele parels aan de oppervlakte bracht.

De bijna primitieve deuntjes die hier weerklinken, worden soms op heel bijzondere wijze gepresenteerd, de ene keer in een prachtig en mysterieus arrangement zoals in “Rubin”, waar een dromerige vibrafoon een web weeft voor introverte bijdragen van klarinet, blokfluit en percussie, maar net zo goed in de gedisciplineerde canonvorm van “Topaz”. In “Ametyst” is de melodielijn het vertrekpunt voor een uitbundige vrije improvisatie, waarin klarinettist Waclaw Zimpel meteen het voortouw neemt. “Szafir” kent een gelijkaardige aanpak, hoewel het hier vooral drummers Hubert Zemler en Krzysztof Szmańda zijn die echt vrijheid wordt gegund, terwijl de rest trouw blijft aan de lijnen die de melodie uitzet. De manier waarop deze muziek wordt uitgewerkt doet wat denken aan het werk van Albert Ayler, die natuurlijk bekendstond om het gebruik van basismelodieën of folkdeuntjes als vertrekpunt van zijn stukken.

Het soms vederlichte of formele karakter van enkele tracks wordt wel eens in de verf gezet. Een streng ritmisch “Szmaragd” krijgt zo bijna een militair jasje, al wordt het stuk wel handig uitgekleed door klarinet en fluit de bitsige melodie op verschillende snelheden door elkaar te laten spelen. Met de bonkige groove van "Antracyt" eindigt de plaat in een meer hedendaagse sfeer, met een freakende Strycharski als leuk extraatje.

Made In China :: Transmissions

For Tune heeft niet alleen oog voor kwaliteit uit eigen land, ook voor buitenlandse muzikanten is er ruim plaats bij het label, waardoor het zich natuurlijk ook wat internationaler kan profileren. Anthony Braxton, William Parker, Mary Halvorson, Ches Smith, Trevor Watts en Veryan Weston leverden allemaal al een bijdragen aan de ondertussen indrukwekkende catalogus van For Tune en sinds dit jaar mogen ook Michael Blake (sax), Samuel Blaser (trombone) en Michael Sarin (drums) aan dat lijstje worden toegevoegd. Onder de naam Made In China bracht dit trio in juni 2016 de plaat Transmissions uit, waarop eigen werk wordt afgewisseld met "You Ain't Gonna Know Me 'Cos You Think You Know Me" van Louis Moholo-Moholo en zowaar een ska-cover.

Deze drie muzikanten zijn allemaal op een of andere manier gelinkt aan de New Yorkse jazzscene, maar toch liggen de roots van het trio - zoals de naam al doet vermoeden - in China. Enkele jaren geleden werden ze namelijk gevraagd om een kwartetconcert te geven in dat land, maar moesten het door het ontbreken van de bassist uiteindelijk als trio zien te rooien. Dat is hen blijkbaar zozeer bevallen dat Made In China momenteel als een working band door het leven gaat. Op basis van de acht tracks van Transmissions is het binnen deze groep duidelijk een plezante bedoening. De muziek bevat regelmatig lekkere grooves en uitbundige solo's en de thema's nestelen zich al vrij snel onder de hersenpan. Toch gaat het entertainmentgehalte niet overheersen, daarvoor heeft de groep meer dan voldoende weerhaakjes ingebouwd.

De titeltrack waarmee de plaat opent vat het eigenlijk al perfect samen: een nonchalante groove van drums en pompende blazers, waarbij Blaser na verloop niet alleen de baspartij voor zijn rekening neemt wanneer Blake soleert, maar die dankzij het gebruik van multiphonics het geheel ook van eigenaardige harmonieën voorziet. De Zwitserse trombonist is erg bedreven in die weinig conventionele techniek - waarbij men tegelijk blaast en zingt door het mondstuk - wat hij al demonstreerde op de verschillende albums van zijn eigen kwartet en het Consort In Motion-ensemble. Het trio swingt vervolgens nog wat meer in "Ornette Day And Night" - uiteraard een eerbetoon aan Ornette Coleman - en het calypso-achtige "Pool 2000", waarin Blake op sopraansax de aandacht opeist.

Uiteindelijk blijkt Made In China toch het meest tot haar recht te komen in het weemoedige "You Ain't Gonna Know Me 'Cos You Think You Know Me" en dat is eerder onverwacht. Daar waar het originele werk vooral drijft op een melodie en enkele blokakkoorden, kiest het trio namelijk voor een trage rubato-bewerking, die de ritmische component neutraliseert en alle aandacht richt op het harmonieuze samenspel. Het is mede door deze onverwachte keuzes dat Transmissions zich onderscheidt van veel ander recente jazzwerk. Benieuwd wat de toekomst brengt voor dit trio.

Obara International :: Live in Mińsk Mazowiecki

Saxofonist Maciej Obara (1981) wordt een van de meest veelbelovende Poolse jazzmusici genoemd. De afgelopen jaren viel hij onder meer in de prijzen tijdens de befaamde wedstrijd van Jazz Hoeilaart, waar hij in 2011 in dienst speelde van pianist Piotr Orzechowski binnen het kwartet High Definition, maar het is vooral zijn eigen kwartet Obara International dat opzien baart. De groep met daarin pianist Dominik Wania, bassist Ole Morten Vaagan en drummer Gard Nilssen leverde in 2013 al twee platen af voor For Tune en onlangs werd daar een derde aan toegevoegd, Live in Mińsk Mazowiecki. Met de aanwezigheid van trompettist Tom Arthurs is het ensemble daarop uitgebreid tot een kwintet en dat opent enkele nieuwe deuren.

Sax, trompet, piano, bas en drums, gewoon een typisch combo uit de bebop- en hardbopperiode dus? Inderdaad, maar wat Obara en co de luisteraar hier voorschotelen is op en top hedendaags. Een vleugje cerebraliteit binnen uitdagende compositiestructuren en lekker veel vrijheid voor solist en begeleiding, een recept dat we wel kunnen smaken. Het maakt van “Pinnacle Of Accure, See?” alvast een onwaarschijnlijk zenuwachtige boel met muzikanten die op de toppen van hun tenen lopen. Bas en drums zorgen voor een heftig stromende ritmiek waarover Wania veelal korte en opvallende bijdragen drapeert. De solo van de pianist is vervolgens heel wat compacter en vertrekt uit een kort idee dat door Vaagan wordt opgejaagd terwijl de twee blazers unisono de structuur bewaken

Obara profileert zich op zijn eigen platen niet nadrukkelijk als leider of solist. Zijn kwintet is eerder een organisch geheel waarin nu eens de een, dan weer de ander naar de voorhoede wordt geloodst, maar dat is eigenlijk net zozeer een vorm van organisatie (en leiderschap). Bovendien valt ook de discipline op binnen het ensemble, dat eenmaal het op stoom komt telkens een mooi evenwicht weet te bewaren. Dat laatste is natuurlijk iets makkelijker in lyrische stukken als “One For...” en “Joli Bord”, waarmee de tweede helft van het album in iets rustiger vaarwater terechtkomt. Het mag dan al iets meer kabbelen en de voet gaat van het gaspedaal, waardoor al die heftigheid van het voorgaande stilletjes kan worden verteerd.

E-mailadres Afdrukken