Antoine Pierre

Urbex

Guy Peters - 29 februari 2016

Drieëntwintig is hij nog maar, Antoine Pierre, maar intussen wel al uitgegroeid tot een vaste waarde binnen de Belgische jazz. En nu is de jonge drummer er ook met zijn debuut als leider: een plaat met bakken ambitie, een ronkende line-up en een sound en stijl met internationale allure. Die man gaat nog potten breken.

Dat Urbex (wat staat voor urban exploration, en zowel een fascinatie uitdrukt voor het stedelijke, met liefde voor ‘thuisstad’ Brussel en New York, als voor de poëtische vergankelijkheid van verkommerde gebouwen) de lat zo hoogt legt, is eigenlijk geen verrassing. Pierre werd als tiener immers al ingewijd in een wereld van zwaargewichten. Amper achttien was hij toen hij ingelijfd werd door zijn mentor Philip Catherine, en al snel ontpopte de jonge Luikenaar zich tot een van de meest actieve en bevlogen drummers sinds de generatie van Teun Verbuggen & co. Hij dook op in het trio van Jean-Paul Estiévenart en maakte in 2015 grote sier met het Toine Thys Trio en vooral TaxiWars, het populaire project met Nic Thijs, Robin Verheyen en woordenspuwer Tom Barman.

Voor Urbex verzamelde Pierre een octet, met daarin trompettist Estiévenart, rietblazers Steven Delannoye en Toine Thys, gitarist Bert Cools, pianist Bram De Looze, elektrisch bassist Félix Zurstrassen en extra percussionist Frédéric Malempré. Een bezetting waar je veel richtingen mee uit kan en daarvan worden er dan ook veel verkend, waarbij het opvallend is dat Pierre niet alleen de stuurman is, maar zelf ook tekende voor alle composities én arrangementen. Het resultaat is een gelaagde plaat waarin plaats is voor nuance en ingetogenheid, maar ook uitgepakt wordt met zeer gedetailleerde en complexe passages. Het ene moment open en mysterieus, het andere donkerder en broeierig.

Daarmee lijkt het alsof Pierre er een Zuiderse spirit in stopt. Niet enkel door een excentriek geluid hier en daar – een Spaans aanvoelende gitaarsolo, de exotische percussie, enkele ‘geprepareerde’ klanken – , maar ook door een warme, sensuele stijl, waarin de funk en de groove nooit veraf zijn en soms aan het oppervlak liggen te kloppen. Vanaf “Coffin For A Sequoia” zit je meteen in die zwoele teneur, met een latin-toets van de piano, subtiele percussie en een thema dat zwierig geïntroduceerd wordt door piano en gitaar. Een stuk dat, net als een resem andere, steeds wint aan kleur en densiteit en de lichtvoetige virtuositeit van Pierre benadrukt. Hij ging ooit in de leer bij meesterdrummers Stéphane Galland, Antonio Sanchez en Dan Weiss, en hoort qua stijl ook in dat rijtje thuis.

De opener zet meteen de toon van de plaat, die uitpakt met hechte arrangementen, waarin wel nog volop plaats is voor individuele schittermomenten. Zo maakt Estiévenart indruk in het voluptueuze “Litany For An Orange Tree”, maar ook in de gevoelige ballade “Moon’s Melancholia”, valt Thys op met een expressieve sopraansolo in de souljazz van “Who Planted This Tree?” en maakt studiogast David Thomaere zijn opwachting met orgel in het titelnummer. De composities op zich barsten niet uit hun voegen, maar je hebt natuurlijk wel te maken met een uit de kluiten gewassen bezetting, waardoor er heel veel dingen te horen vallen, de lagen voortdurend verschuiven en voor de nodige afwisseling gezorgd wordt.

Zo is er een mooi contrast tussen, pakweg, de ambient-achtige geluiden en texturen van droomvertelling “Les Douze Marionettes” en de bruisende groove van “Metropolitan Adventure”, dat z’n titel niet gestolen heeft en waarvan de ritmesectie klinkt zoals die van TaxiWars: vloeiend, potig en stuwend. Het is ook in dit stuk, en in “Walking On A Vibrant Soil” dat Cools en Zurstrassen zich van hun meest bevlogen kant kunnen laten zien, de gitarist bovendien met een resem excentrieke, met elektronica bewerkte effecten. Eigentijdse, grootstedelijke jazz, soul, funk en fusionelementen worden zo versmolten tot een overvloedig geheel, dat in afsluiter “Ode To My Moon” nog eens een uitvoerige samenvatting krijgt.

Kortom, Urbex is een ambitieuze, weldadige plaat, hier en daar voorzien van een filmische grandeur, en dat is natuurlijk allemaal indrukwekkend. Tegelijkertijd kan je je echter niet van de indruk ontdoen dat Pierre & co. er misschien toch beter aan gedaan hadden om het iets compacter te houden. Zelfs zonder de afsluiter -– die door een extra coda richting twintig minuten gaat – was dit al een aardige kluif, maar door vlotjes over de zeventig minuten te gaan, lopen ze het risico dat heel wat luisteraars afhaken voor het album ten einde is. Anderzijds kan je een muzikant natuurlijk moeilijk kwalijk nemen dat hij zijn troeven vol enthousiasme op tafel wil gooien, en met deze band heeft Pierre daar uitgelezen gezelschap voor uitgekozen dat live vermoedelijk nog meer zal knetteren. Het lijkt dan ook voor de hand liggend dat we de band deze zomer op een of meerdere van de grote(re) festivals zullen terugzien.

De band heeft een aantal concerten gepland voor de komende maand. Voorlopig allemaal in Wallonië.

E-mailadres Afdrukken