The MaXx

Master Blaster

7.0
Guy Peters - 06 januari 2016

Dit is wat er gebeurt als je drie begaafde studenten van het befaamde Trondheim Conservatorium bij elkaar plaatst en laat dollen met vanalles dat fout liep in de jaren tachtig en daarvoor. “Power pop indie fusion”, zoals ze het zelf noemen, maar ook een catchy combinatie van plastieken kitsch en een feilloos muzikaal instinct.

Mei 2015, Trondheim. Ergens rond een uur of elf ’s avonds en de zon was nog niet helemaal gaan zakken. We belandden in een lokaal café voor een concert van instrumentaal trio The MaXx: gitarist Petter Kraft (eigenlijk vooral in de weer als saxofonist), toetsenist Oscar Grönberg (onlangs nog in Hasselt als lid van het uitstekende jazzkwintet Friends & Neighbors) en drummer Tomas Järmyr (Yodok, Yodok III, Zu, etc), drie Zweden die een uur lang maffe riedels, hoekige wendingen en lullige melodieën uit de mouw schudden. Grönberg droeg een lichtgevende bril en wipte hyperkinetisch op z’n stoeltje terwijl hij de ene foute klank na de andere uit de toetsenborden toverde, Kraft liet de lijnen vloeien met precisie en Järmyr… mja, wat die daar deed sloeg alles. Retestrakke funk, losse shuffles, blast beats, jazzy solo’s, en allemaal met verbluffend gemak.

Stilistisch was het al net zo all over the place. Er zat funk, synthpop en disco in, er werd geflirt met foute R&B, fusion en prog, maar het kon draaien en keren in een vingerknip en soms zelfs richting ambient of extreme metal lonken. Het was dan ook de vraag of een release diezelfde, onweerstaanbare impact zou hebben. En nu is er debuut-EP Master Blaster, genoemd naar een personage (of beter: twee) uit 80’s klassieker Mad Max Beyond Thunderdome, wat eigenlijk wel toepasselijk is. Maar om die vraag te beantwoorden: nee, deze songs hebben, ondanks de zeer, zeer strakke uitvoeringen, niet de impact van zo’n concert. Je mist hier de fysieke component, de visuele charme en de hechte interactie, maar het blijft wel een geinig boeltje.

Goed teken, dat we de meerderheid van de songs nog herkenden, ook al hadden we ze nog maar één keer eerder gehoord, en dan nog een half jaar geleden. Die wiegende start van opener “Snart Blir Det Shuffle” heeft een zwier die zo van Motorpsycho had kunnen komen, maar dan komen de wendingen en de funky slaggitaartjes, de belachelijk vrolijke keyboardriedels, de even spacey als ridicule ideetjes, maar houden ze ook die heen- en weerbeweging in het achterhoofd. Het is een patroon dat opduikt doorheen de meeste van deze zes songs: schizofrenie. Zo heeft het compact gehouden melodietje van “La Femme” haast iets Minutemen-achtigs, maar krijg je plots ook Grönbergs vette baslijnen, de verwachte wendingen en een hoop koebel.

“Hund Bob” (een ode aan de Zweedse band Bob Hund?) voelt aan alsof de metronoom op hol geslagen is, terwijl de lunaparkpret naar het einde helemaal niet meer op kan. Nog beter is “Mexico”, dat van start gaat met een even dromerige als slijmerige intro, die al snel plaats moet maken voor Speedy Gonzalez-spurtjes, synthetisch stompende beats en precisiebombardementen van Järmyr, die hier weergaloos stuntwerk uithaalt op de grens tussen robotfunk en dolgedraaide metalprog. Kraft is dan weer degene die de teugels laat vieren in “Huddula” met scheurend solowerk, terwijl “Spring Teen” ergens iets doet tussen Devo en compleet foute synths.

Geen idee hoe ernstig ze het menen, want er wordt hier wel degelijk gespeeld met de tongue heel erg diep in die cheek, maar tegelijkertijd is het overduidelijk dat de drie hier bakken plezier aan beleefd hebben. Ze springen van hot naar her en slagen er geen enkele keer in om binnen een patroon te blijven, maar toch klinkt dit ook nergens overdadig. Integendeel, de instrumentale pop/rock blijft iets uitgebeend behouden. Kortom, het blijven vinger- en genre-oefeningen, maar dan wel uitgevoerd door een stelletje belachelijk getalenteerde muzikanten. En hopelijk krijgen we die ook eens in deze contreien aan het werk te zien.

De release is voorlopig enkel digitaal beschikbaar.

E-mailadres Afdrukken