Banner

Flying Horseman

Night Is Long

9.0
Guy Peters - foto's: Archief Geert Vandepoele - 02 november 2015

57:29. Een klein uurtje. Zo veel tijd neemt een beluistering in beslag van het album waar heel wat andere Belgische releases van het lopende jaar aan getoetst zullen worden. Tien nummers staan er op dit vierde album van Flying Horseman, en samen zijn ze goed voor de meest diverse en homogene plaat van het Antwerpse sextet tot nog toe. Een plaat die, net als zijn voorgangers, als een sluipend gif onder de leden kruipt en een compagnon wordt voor talloze lange, slapeloze nachten.

De elementen die op City Same City ingang vonden of meer in de verf gezet werden – de afrotinten, een sterker en bedwelmend groepsgeluid, meer gedetailleerde productie-ingrepen – krijgen nu hun logische vervolg. Night Is Long is dan ook eerder een verderzetting of perfectionering dan een ommekeer, en een album waarop Bert Dockx zich ontpopt tot onze meest bevlogen nachtcrooner, met de rest van de band als best denkbare orkest in een al net zo cruciale rol. In opener “Wild Colours” begeven de zes zich opnieuw op de as tussen Brian Eno en Talking Heads, maar terwijl die laatste band uitblonk in ritmes en tics die even dansbaar als nerveus als neurotisch klonken, is Flying Horseman een eenheid van een ander kaliber. Dit is de band van zwartgeblakerde romantiek en intensiteit, die de zintuigen in een narcotische waas tot de grenzen van de sensaties drijft.

Dockx verhaalt over een verblijf in Sicilië en het maken van films. De echo’s van de zussen Maieu zorgen samen met een hecht in elkaar hakende ritmesectie en de gelaagde sound, waarbij gitaren en toetsen zinnelijk langs elkaar schurken, voor een bedwelmend, visueel effect. Gedachten drijven misschien zelfs af naar Italiaanse klassiekers als Il Gattopardo of L’Avventura, terwijl het gitaarwerk herinneringen oproept aan Ribots werk met Los Cubanos Postizos, al wordt hier overgesprongen van de Caraïben naar West-Afrika. Een moment van filmische verbeelding die later nog een knap vervolg krijgt in het compacte “Sunsets”, waar enkel nog een Franse film uit de jaren zeventig onder gezet moet worden.

Tweede song, tweede hoogtepunt: “Faithfully Yours” is misschien wel het mooiste bewijs van producer Koen Gisens meesterschap. Hoor hoe de band voortdurend op de wip zit tussen arty 80s wave en afrogetinte pop, hoe de elegantie en vindingrijke aanpak van (de latere) Talk Talk en The The wordt gecombineerd met een amper onderdrukte sensualiteit. In z’n instrumentale passages klinkt Flying Horseman geduldiger en efficiënter dan ooit (met werkelijk fan-tas-tisch snarenwerk), maar ook de stemmen worden knapper dan ooit uitgespeeld, de boodschap (“fear strikes hard”) indringender in de verf gezet, de betoverende stemmen van de Maieus ergens rondwarend tussen de heksen uit Macbeth en de aanmoedigingen van The Raelettes. “Night time is the right time”? Geen mens die eraan durft twijfelen.

Een paar uit hun voegen barstende kolossen van songs worden bovendien knap afgewisseld met een aantal meer introspectieve (en doorgaans ook kortere) songs. Zo heeft het zacht rinkelende “Little Boy” aanvankelijk iets van een geruststellende slaapliedje, maar heeft het met z’n eigen demonen af te rekenen, terwijl de schuifelende brushes van “We Are One” vergezeld worden door verzen over gebroken schedels. Het bedremmeld binnenkomende “Chaos” is dan weer zo voorzichtig, ontdaan van ballast, dat het qua eenvoud de strijd aan kan gaan met het werk van Strand, al heb je hier nog altijd een broeierigheid die daar doorgaans weggemoffeld werd.

Meer sterk productiewerk ook in het roterende “Spider”, dat opgebouwd is uit gelijke delen melancholie en exorcisme, terwijl het ook de ideale opstap is naar het meesterlijke “Brother”, een ijzingwekkende dissectie van een dualiteit die het ene moment aanvoelt als een vernietigende haat/liefde-verhouding genre Herzog/Kinski - het heen en weer gezwierd worden tussen niet-zonder-elkaar-kunnen en elkaar naar het leven staan (“I curse the day I met you and I promise I will never let you go”) -, maar die net zo goed een indicatie kan zijn van een onaflatende innerlijke gespletenheid. En dat dan met een stuwing die het tribale en ritualistische van Killing Joke (de song kan zich net zo goed ontpoppen tot een ingang naar een underground dansfeest) koppelt aan de sombere barok van The Bad Seeds, een referentie die ook terugkeert in de eerste vooruitgeschoven single, “Money”.

Werd op City Same City misschien iets vaker duidelijke parallellen gelegd tussen de innerlijke wereld en het maatschappelijke element, dan is dit de song op Night Is Long die het duidelijkst een connectie met de politieke realiteit suggereert, al is het zoeken naar concrete aanwijzingen in deze monoliet, die doordrongen is van een gothic noir die herinnert aan Flannery O’Connors Wiseblood, met ook een opvallend moment waarin Dockx op het spreekgestoelte kruipt voor een bezwerende passage die onvermijdelijk leidt naar intenser roffelend terrein, waar stemmen botsen als in een ontzette spraakverwarring, om uiteindelijk te belanden bij een bombastische muzikale shootout, met een loensende Nick Cave lijnrecht tegenover Ennio Morricone. Met het massieve van Swans binnen handbereik. Maar dit is vooral Flying Horseman op z’n best. Het is nu al huiveren bij de gedachte wat dit live gaat opleveren.

Die bedenking valt ook te maken bij het afsluitende titelnummer, en dan niet omdat de band zich ook daar toont als een meester van de bezwering met een manische energie, maar de sfeerschepping. Terwijl het van start gaat met een vrij conventionele, quasi-gefluisterde aanzet, wordt het langere instrumentale luik misschien zoiets als Dans Dans’ “Htes To Vradi Sto Teke Mas”. Door sommigen werd het aanvankelijk beschouwd als een extraatje dat weggeplukt was bij de rebetika-traditie, maar het leende zich ook tot verdere creatieve uitdieping die live soms uitgroeide tot een hoogtepunt, en “Night Is Long” laat zich met die huilende effecten (strijkstok?) en ambienttexturen vermoedelijk net zo goed lenen tot verdere exploratie. Al is het hier vooral ook het ideale slotgordijn net voor het verblindende ochtendgloren binnensijpelt.

Wie zich hiervoor al wat geïntimideerd voelde door de onheilspellende nachtblues van Flying Horseman, die zal ook nu moeten wennen, maar wordt vooral opnieuw getrakteerd op een zoveelste ingenieuze, gelaagde inkijk in een stilaan uniek hoofdstuk. Band, songs, uitvoeringen, producer, sound en artwork (opnieuw Philippe Werkers) staan sterker dan ooit op één onverzettelijke en eindeloos intrigerende lijn, en dus wordt het stilaan misschien tijd om eens na te gaan of het afgelegde parcours - vier voortreffelijke albums en een ep - eigenlijk wel een voorganger kent in de Belgische rock-‘n-rollgeschiedenis. De vraag suggereren is ze al beantwoorden, zeker?

Flying Horseman speelt binnenkort een stuk of tien optredens met het album onder de arm. Hoog tijd om de agenda erbij te nemen.

E-mailadres Afdrukken
 
Flying Horseman

Advertentie
Advertentie
Banner

TEST