Banner

Bachar Mar-Khalifé

Ya Balad

8.0
Gowaart Van Den Bossche - 28 september 2015

In de reeks “topplaten die schromelijk genegeerd werden door de verzamelde muziekpers”: Bachar Mar-Khalifé’s tweede plaat Who’s Gonna Get The Ball …, die twee jaar geleden hoog in ons (maar dan ook alleen in ons) eindejaarslijstje verzeilde. Hopelijk krijgt opvolger Ya Balad wél de aandacht die hij verdient.

altOok deze derdeling in het oeuvre van de zoon van Libanese oud-corifee Marcel Khalifé is immers een voltreffer. Duidelijk in de lijn van zijn voorganger, maar met genoeg verkenning van nieuwe horizonten om niet als een doorslagje aan te voelen. Keyboards, stem en percussie blijven nog steeds de muzikale hoofdbestanddelen en het Arabisch van Bachars voorvaderland (zelf groeide hij voornamelijk op in Frankrijk) blijft de hoofdtaal van de polyglotmozaïek die hier wordt uitgespreid. Nieuwe klanken zijn er dan weer in de vorm van uitstapjes richting reggae en elektronische Arabische muziek à la Islam Chipsy of Omar Souleyman in respectievelijk “Balcoon” en “Lemon”.

Ya Balad (“Oh land”) ontstond ietwat ongecoördineerd, met verschillende composities die voor allerlei arthouse films werden gecomponeerd, enkele stukken die in een muziektheatervoorstelling pasten en opnieuw een handvol interpretaties van traditionele liederen. Zo is het prachtige “Yalla Tnam”, een verstilde toonzetting van een Libanees slaapliedje in duet met de Iraanse topactrice Golshifteh Farahani. Qua culturele kruisbestuiving kan zo’n samenwerking tellen, maar in het universum van Mar-Khalifé is het negeren van vermeende cultuurbarrières even vanzelfsprekend als de bezwerende koppeling van piano en percussie die de muziek aandrijft.

Die koppeling is niet toevallig: Mar-Khalifé is percussionist van opleiding en is in die hoedanigheid wel vaker te vinden aan de zijde van zijn vader (in trio met broer Rami aan de piano) of met Francesco Tristano en Pascal Schumacher (wat in januari in de plaat Afrodiziak resulteerde). ’s Mans pianospel is daardoor vaak opmerkelijk percussief, alsof hij de lagere regionen van de toetsen gebruikt als een bonkende fond en de hogere octaven als een lyrische bovenlaag. Dat is misschien wel het duidelijkste in “Lemon”, waarin de Midden-Oosterse ney (fluit) door keyboards geïmiteerd wordt.

Hoewel het muzikaal eclecticisme van de plaat zich ook in de teksten doortrekt, vallen enkele prominente thema’s toch op. Dook op voorganger Who’s Gonna Get The Ball … nog vaak een topos van sociaal verzet op, getekend door de toen nog verse herinneringen aan de Arabische omwentelingen, dan is die toon hier omgeslagen in bijna wanhopige hulpkreten en gebeden. “Madonna”, “Kyrie Eleison” en de titeltrack verwijzen elk uitvoerig naar het gebed, terwijl “Yalla Tnam” en “Dors Mon Gâs [E]” een brug lijken te slaan tussen die thematiek en die van de slaap, berusting in de situatie.

De transitie tussen de twee platen is op dat laatste vlak tekenend voor een verschuiving die ook op sociaal-politiek plaatsvond in de Arabische wereld (en daarbuiten): van aanvankelijk optimisme over de maakbaarheid van de samenleving enkele jaren geleden naar doorgedreven defaitisme vandaag. Tegelijkertijd toont Ya Balad door zijn doorgedreven eclecticisme en een tweede terugkerend thema van de liefde ook aan dat er hoop is voorbij de miserie van alledag.

Door die troostende boodschap en de muzikale rijkdom die met beperkte middelen aan de dag wordt gelegd is Ya Ballad dan ook opnieuw zwaar de moeite. Of Mar-Khalifé daarmee even veel succes zal oogsten als enkele andere recente Arabische projecten (met de enigmatische Omar Souleyman op kop) is moeilijk te zeggen, maar het zou wel dubbel en dik verdiend zijn. In ons eindejaarslijstje eindigt deze plaat alvast weer hoog.

Bachar Mar-Khalifé speelt op 27 oktober 2016 in De Handelsbeurs in Gent.

E-mailadres Afdrukken