Banner

James Blackshaw

Summoning Suns

6.5
 - 17 februari 2015

Dat James Blackshaw graag zijn grenzen verlegt was na vier opeenvolgende platen die volledig verschillend klonken wel duidelijk, maar de stap die hij met Summoning Suns zet is toch een behoorlijke verrassing. Na een slordige tien quasi volledig instrumentale platen out hij zich nu als singer-songwriter.

alt

Summoning Suns telt zeven nummers, waarvan er vijf opgeleukt worden met Blackshaws eigen vocals en teksten. Er doken al hier en daar stemmen op in eerder werk, met zelfs een volwaardige song gezongen door Geneviève Beaulieu op Love Is The Plan, The Plan Is Death, maar Blackshaw die zelf zingt: dat is iets volstrekt nieuws. Bovendien brengt hij hier songs die vaak ongegeneerd tegen meer populaire muziek aanschurken, een domein waar hij anders slechts in de verste verte mee in aanraking kwam.

Dat is zelfs meteen zo in de instrumentale intro “Averoigne”: een akkoordenreeks op piano die u al bij talloze indiebands hebt gehoord en een melodie die richting Arcade Fire neigt, het is een haast volledig nieuw klankterritorium. Ook in de songs met teksten wordt het allemaal wat toegankelijker dan we gewoon waren van Blackshaw (geen nood, afsluiter “Winter Flies” is dan weer wel een vintage 12 string meditatie). Al moet u natuurlijk nog geen Hozier of Ben Howard gaan verwachten. De referentiepunten zijn eerder figuren als Nick Drake, John Martyn, of zelfs wat Townes Van Zandt en Jim O’Rourke op zijn meest toegankelijke momenten. In die zin ligt deze plaat wel in de lijn van eerder werk: Blackshaw is maar matig geïnteresseerd in hedendaagse muziek en modelleert zijn klank nog steeds sterk naar een tijdloos folkgeluid.

Bovendien blijven de gitaarpartijen natuurlijk erg in het oog springen, zelfs al zijn ze meer begeleidend van aard. De akkoordenprogressie waarrond het verrassend opgewekte “Confetti” is opgebouwd is bijvoorbeeld duidelijk verwant aan de chromatische bochten uit de American Primitivism beweging. Blackshaw is nog steeds een meester in het opbouwen van langgerekte melodielijnen en kleedt zijn songs dan ook daarrond aan. Strijkers, piano, drums, backing vocals en zelfs een verdwaalde pedal steel gitaar zorgen in deze song voor een rijk en voldoening gevend klankpalet.

Elders mogen ook donkere klanken weer domineren. “Failure’s Flame” pendelt zo mooi tussen openbloeiende arrangementen (met onder meer een leuke rol voor dwarsfluit aan het einde) en galmende momenten waarin enkel gitaar en stem te horen zijn. “Nothing Ever After” zet die laatste focus door en galmt als vanouds. De song krijgt ook pas vrij laat een strijkersarrangement mee, dat dan wel een hoogtepunt vormt. De titeltrack en “Towa No Yume” zijn wat lichter van klank, en in die laatste zingt Blackshaw zelfs in het Japans. Vreemd genoeg is net die laatste song vocaal het meest overtuigend van de gehele plaat.

Compositorisch zit het dus zeker wel snor op deze plaat en ook de cryptische teksten zijn best te pruimen. Waar het concept echter te licht uit valt is in de vocals zelf. Blackshaw kan min of meer toon houden, maar een opvallende laat staan echt mooie stem heeft hij niet. Koppel deze songs aan een klok van een stem en je hebt een uitzonderlijk goede singer-songwriter plaat, maar in deze versies weet het niet altijd even sterk te overtuigen. De backing vocals helpen daarbij soms wel, maar kunnen de aandacht toch niet echt afleiden van de eerder beperkte kwaliteiten van Blackshaw.

Waarmee dus ook meteen duidelijk is waarom de man zo lang enkel instrumentale platen heeft uitgebracht. Of Summoning Suns een uitzondering is in Blackshaws discografie zal moeten blijken met volgende releases, maar helaas kan het ondanks een bepaalde charme en huiselijke warmte in de sound, toch geen uitschieter genoemd worden.

James Blackshaw speelt vrijdag 20 februari in Kunstencentrum Vooruit.

E-mailadres Afdrukken