Banner

Strand

Strand

8.0
Guy Peters - foto's: Philippe Werkers - 25 september 2014

Bert Dockx boorde een paar jaar geleden een creatieve bron aan die duidelijk nog niet droog staat. Na het topjaar 2013 (minstens twee Belgische albumklassiekers en een resem uitmuntende concerten), belooft ook 2014 nog een bijzonder staartje te krijgen. Binnenkort wordt de derde van Dans Dans voorgesteld, net als werk van Sweet Defeat en An Expedition Into The Mind of Sgt. Fuzzy, maar eerst is er nog dat Nederlandstalige project Strand, waar halsreikend naar uitgekeken werd. En raad eens? Juist.

Dat concert van een tijd geleden liet al horen dat de songschrijver ook in het Nederlands begeestert. Wat een jaar geleden nog een voorzichtig uitgesproken (maar al langer sluimerende) ambitie was, is nu een feit. Samen met vaste waarde Koen Gisen trok Dockx de studio in, om er iets later weer uit te komen met tien songs, goed voor 35 minuten. Naar recente Flying Horseman/Dans Dans-maatstaven is dat nogal weinig, maar laat er geen twijfel over bestaan: ook Strand is een metgezel die lang mee kan. Het is nergens zo voluptueus als Flying Horseman of zo vrij kronkelend als Dans Dans, maar sfeer, eigenaardigheden en bekommernissen zijn intact gebleven. Ze staan nu naakter dan ooit, en ook een beetje ongemakkelijk, in het licht. Franjeloze songs, dat sowieso, maar zet een koptelefoon op en je hoort de achtergrondruis, de ademhaling en verschuivende vingers op de gitaarhals, de resonanties van die soms kletterende snaren.

De titels: tien korte woorden. De teksten: opnieuw een uitdaging om te ontcijferen, want (vermoedelijk) een combinatie van het persoonlijke en het naar buiten gekeerde, een huwelijk van poëzie en engagement, vormgegeven in songs die afwisselend intens, afgemeten, spookachtig en dreigend zijn. Soms ook een beetje omfloerst, een muzikale versie van een verhaal dat zich afspeelt achter een door vocht aangeslagen glasraam. Daarvan was vooruitgeschoven 7” single “Dood”/“Haat” al een knappe voorbode. Een brokje impressionisme, schetsmatig uitgewerkt met een variatie aan grijstinten die voor meer uitgesproken popjunks misschien wel aanvoelen als een monotone stroom zonder reliëf. Alleszins een album waarvoor je wel degelijk een inspanning moet leveren. Strand is geen achtergrondmuziek, hij dwingt op z’n minst wat concentratie af. En die wordt beloond.

Bovendien is het niet zo dat de breuk met het voorgaande werk meteen zo enorm is. Een paar seconden ver in opener “Huis”, en het is al duidelijk dat ook deze songs vloeiden uit de vingers die pakweg “America Is Dead” schreven en zich aan Joy Divisions "Shadowplay" waagden. De lange instrumentale intro schildert ook dat nachtsfeertje en dat beeld van verlaten straten, en als die regels vol tegenstellingen hun intrede doen, dan wordt opnieuw duidelijk dat Dockx na een paar productieve jaren nog altijd een man van twijfel en onzekerheid is. Het gaat weer over weten en niet kunnen weten, zien en niet kunnen zien, ondeelbaar verdriet en hoorbaar zwijgen. Net zoals dat enorm geslaagd gebeurde op City Same City krijg je hier ook voortdurend de twee kanten van de medaille, die van de verbetenheid en de twijfel, het in zichzelf gekeerde en de drang om een plaats te zoeken in een wereld die niet altijd uitnodigt tot participatie.

Je hoeft daarvoor niet verder te kijken dan hoogtepunt “Koop”, een song die weinig decibels nodig heeft om duidelijke suggesties te presenteren. “Niemand is te koop”, luidt zijn mantra, maar je krijgt er tandengeknars bij dat duidelijk maakt dat dat hier en nu eigenlijk niet opgaat. In het Antwerpen, Vlaanderen en België van 2014 zijn er verhoudingen die plots in een ander licht bekeken worden. Het hoeft geen verdere uitleg over wiens “doorschijnende blik” het kan gaan. Al net even geslaagd: de prachtige folksong “Scherf”, die zich openbaart als een getoonzet gedicht waarvan de vocale cadans herinneringen oproept aan Wannes Van de Velde. Het hoorbare zwijgen van eerder wordt hier aangevuld met het “geruisloos luid gefluister” en prikkelende beeldspraak die stof tot nadenken biedt.

Gelukkig wordt de luisteraar ook even verpozing gegund met een paar knappe instrumentals. “Haat” zoekt het op het terrein van het sinistere getokkel, terwijl “Droom” aan het einde van de plaat minder omineus klinkt en in de traditie van de Amerikaanse folk past. Beide stukken zijn filmisch en prachtige aanvullingen bij het sobere artwork van een plaat die ook in z’n tweede helft imponeert. De song die daarbij wat moeilijker aanslaat is “Nacht”, wat wel eens te maken kan hebben met het feit dat het opgesloten zit tussen twee kleppers met een heel eigen karakter: het 33 seconden lange “Land”, waarmee haast een aanzet gegeven wordt naar donkerbruine countryfolk als op de American-platen van Johnny Cash, en het steeds gejaagder klinkende bluesstuk “Woord”, dat halverwege haast begint te knetteren van de intensiteit.

Het afsluitende titelnummer belicht nog eens maximaal dat wazige, moeilijk te definiëren karakter van Strand. Een song die aanvoelt als een commentaar bij een vergeeld portret en waarin de klankkast van de gitaar een hoofdrol te vervullen heeft als ritualistisch aangeslagen trom. Wat je voor je ziet is een beeld dat steeds minder focus krijgt en waar het licht langzaamaan uit verdwijnt. Een gepaste overgang naar de end credits. Geen grote, emotionele climax of een geschenk dat je gerustgesteld de nacht instuurt. Integendeel: nergens is de onwezenlijkheid zo dominant, de hunkering naar wat meer houvast zo groot. Stappend geklop en gefluister als een bezwering. Ik had hier graag geschreven over hoe Strand een bloedmooie, bedwelmende parel geworden is. Dat is het niet. Daarvoor zit het verzet en de weigering om eenvoudigweg te behagen er te sterk ingebakken. Stil en ingetogen dus, maar ook flou, met krasjes in het oppervlak die je niet weggemoffeld krijgt.

Er komt nog een reeks concerten aan. Neem een kijkje bij Bestov of op de Facebookpagina voor de data.

E-mailadres Afdrukken
 
Strand

Uit ons archief
Banner

TEST