Banner

S. Carey

Range Of Light

6.5
Maarten Langhendries - 27 april 2014

Songschrijverij als ambacht: ’s morgens bij de eerste ochtendstralen uit een blokhut diep in het dennenwoud gekropen komen, naar de bergrivier afzakken en daar de ellende van de wereld van zich afwassen. Vervolgens aan de eikenhouten schrijftafel gaan zitten en alles wat opborrelt uit dat ding genaamd de ziel aan het papier toevertrouwen.

Bovenstaande mag dan een ietwat té romantische voorstelling zijn, maar het decor is wel moeilijk van het netvlies te wissen bij het beluisteren van Range of Light, de tweede worp van S. Carey. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je weet dat de man drummer is van Bon Iver en bijgevolg dag na dag op de rug van Justin Vernon mag kijken. Bovendien is ook hij afkomstig uit de bossen van Wisconsin en zegt hij zelf dat de wouden en rivieren van de Sierra Nevada een grote inspiratie voor hem zijn. Weg is ook de elektronica die de uitstapjes op de Hoyas- ep kenmerkte. Carey komt dus duidelijk uit dezelfde oergrond gekropen als zijn broodheer. Een tweede voor de hand liggende referentie is Sufjan Stevens, tegen wiens stemgeluid de zang van Carey vaak aanschurkt. Tegen die achtergrond schildert de man een mooi palet van natuurbeelden, een bedje van herfstbladeren, aan de rand opgesmukt met wat ijsbloemen.

Range of Light begint nochtans weinig beloftevol: de eerste twee nummers vloeien voorbij voor je beseft dat ze er geweest zijn. Ze zijn wel goed gemaakt, maar er is geen enkel element in de nummers aanwezig dat ervoor zou kunnen zorgen dat ze zich in het oor van de luisteraar vasthaken. Bij “Crow the Pines” is dat gelukkig wel het geval: een rondhotsende piano, die de geest van Illinois van, jawel, Sufjan Stevens oproept, in samenspel met een sierlijke viool zorgt ervoor dat iedereen bij de les blijft. Daarbij cirkelt de stem van Justin Vernon, die even zijn falset komt lenen, elegant rond die van Carey. De hoogtepunten van de plaat bevinden zich vervolgens pal in het midden: in “Fire-scene” ontroert de zanger met een gitaarlijn die enkel als melancholisch te beschrijven valt, vergezeld van enkele verlegen aangeslagen pianonootjes. Daarboven ritselt de stem van Carey in het oor van de luisteraar, hem schuchter toevertrouwend dat “All I want is honesty”. In “Alpenglow” vervolgens wordt Carey voornamelijk vergezeld door zijn piano. De tweede helft bloeit mooi open tot wervelend eindpunt, waarbij je de sneeuwstorm als het ware kunt zien naderen.

Ook de rest van de plaat getuigt van noeste ambacht, met mooie resultaten tot gevolg: met behulp van mooie dwalende gitaar- of banjoriedeltjes (“The Dome”), roffelend percussiewerk (“Fleeting Light”, de man is niets voor niets drummer), of zelfs met weinig meer dan een piano en stem (“Radiant”), waartussen ook allerlei kleine geluidjes en instrumenten rondzwerven, weeft Carey zijn mooie liedjes. In “Neverending Fountain” ten slotte is dan toch wat elektronica te horen, eerst nog wat knisperend, maar later meer prominent, in combinatie met een zenuwachtige viool en zelfs een harp die even mag opduiken. Langzaam aanzwellend begeleidt het nummer de plaat naar de uitgang.

Carey heeft met Range of Light dus zeker een fraai werkstuk afgeleverd. Tegelijk is dat een beetje het probleem: het is allemaal wel mooi en goed gemaakt, maar niet meer dan dat. Carey mist datgene wat hem echt zou kunnen uittillen boven andere gelijkaardige songschrijvers, iets wat Justin Vernon en Sufjan Stevens wel hebben. Dat betekent echter niet dat de plaat geen bestaansreden heeft, alleen zullen weinig mensen Range of Light dagen na elkaar op de platendraaier laten liggen. Maar af en toe, op een winterse ochtend, terwijl zachte sneeuwvlokken naar beneden duikelen, kan Carey zeker de melancholische soundtrack verzorgen.

E-mailadres Afdrukken