Banner

Akira Sakata & Giovanni Di Domenico

Iruman

8.5
Guy Peters - foto's: Foto: Geert Vandepoele - 26 maart 2014

Het jaar was nog maar pas begonnen, het concertseizoen moest nog op gang getrokken worden, maar daar stonden ze dan: rietblazer Akira Sakata (°1945) en pianist Giovanni Di Domenico (°1977), in de kelder van de Gentse Resistenza. Het duo trad op ter gelegenheid van de release van Iruman en liet er een indruk na die nog lang nazinderde. Ook het album weet die bijzondere sfeer helemaal te creëren met een fascinerende, soms bloedmooie combinatie van compact ritualisme en mystieke poëzie.

De titels, die zowel in het Japans als het Engels opgenomen zijn, spreken boekdelen. Het zijn haast muzikale tegenhangers van de beelden op de Japanse houtsneden (of de prachtige hoesafbeelding van de 18e-eeuwse artiest Maruyama Ōkyo), van traditionele plattelandsiconografie, met in mist gehulde bergtoppen, bloesemregens en klaterende beekjes. Intussen misschien wat cliché, maar dat is de muziek van dit duo allerminst. Integendeel: het is een veelgelaagde, genuanceerde samenwerking waarin elke klank, zelfs het tumultueuze gehamer en de schrille saxuitschieters die hier en daar de kop opsteken, op zijn plaats lijkt te staan.

Het is dan ook opmerkelijk dat dit de eerste duoplaat met een pianist is die Sakata opneemt in een carrière van veertig jaar. In die periode werd hij een illustere naam binnen de Japanse improvisatie, maar vanaf de jaren tachtig ging hij ook steeds vaker naar het buitenland. Zo leidde een vruchtbare relatie met Bill Laswell tot een resem albums en wat concerten aan de zijde van Last Exit, en waren ook de voorbije jaren gevuld met creatieve hoogtepunten: Sakata speelt regelmatig met figuren als Jim O’Rourke en Chris Corsano en was te horen op de Concert For Fukushima DVD die het Peter Brötzmann Chicago Tentet in 2011 opnam.

Di Domenico is eigenlijk minstens zo’n boeiende figuur: lange tijd een autodidact die door de job van z’n vader opgroeide in Italië, maar ook lang in Afrika woonde en via heel wat omzwervingen uiteindelijk belandde in Brussel, waar hij nog steeds gevestigd is. Zijn muziek situeert zich in de uiteenlopende werelden van de drones en avant-garde tot de vrije improvisatie, terwijl invloeden reiken van Borah Bergman en Cecil Taylor tot Debussy en non-Westerse muziek. De confrontatie met de Japanner voelt ook vanzelfsprekend aan. Ondanks momenten van frictie en abstractie blijft de eenheid domineren.

Wat opvalt is ook hoe kort de stukken hier zijn: negen stuks variëren qua lengte van anderhalve tot zes minuten, enkel het slot breidt uit tot een kwartier. Sakata staat vooral bekend als altsaxofonist, maar dat instrument hanteert hij hier maar een paar keer, want hij speelt ook klarinet, gebruikt belletjes en shakers en in twee stukken maakt hij al zingend indruk. In de korte, delicate opener “A Piece Of Silence” zorgt de combinatie van sobere pianonoten en belletjesgerinkel meteen voor een ongrijpbare, zijdezachte sfeer. De toon is gezet.

Op altsax klinkt Sakata doorgaans enorm fris en energiek. “Yellow Sand Blowing From China” gaat meteen springerig en zingend van start, met dwarrelend weerwerk van Di Domenico. Het staat in schril contrast met de hoekige erupties van “Bud I”, waarin sax en piano strijden met excentrieke sprongen, denderend vs. flitsend. En toch beheerst de muziek zelfs dan, in z’n meest ontregelde momenten, die statigheid en coherentie. Afsluiter “Bud II” lijkt die twee stukken haast te combineren: beweeglijk en energiek, maar tegelijkertijd rauw en onvoorspelbaar, maar ook met intens jeremiërende passages en neurotisch pianowerk dat het beste uit verschillende werelden combineert.

De klarinetstukken zijn doorgaans meer sereen en mysterieus. “Lotus Blossom In An Old Pond” is ingetogen kamermuziek die perfect aansluit bij die titel, net als het vederlicht trippelende “Water Coming Into Rice Field In The Spring”, waarvan de kringelende patronen geleidelijk aan duidelijk worden. “The Bee And The Sunshine” vormt dan weer een mooi contrast: de sax door circulaire ademhaling trillend en zoemend, de piano als ongedurige gesprekspartner. Het meest opvallend zijn vermoedelijk echter de stukken met zang. In Gent leidde dat tot intens persoonlijke hoogtepunten en dat is op Iruman opnieuw het geval.

In “Voice From A Temple In The Deep Mountain” wordt het voorbereidende werk gedaan door piano en ritselende shakers: het heeft meteen al een ritualistisch karakter, en als die stem er dan nog eens bijkomt – aanvankelijk kreunend, grommend vanuit de keel, vanachter op elkaar geperste lippen, en dan ineens expressiever en ongebonden, woorden nadrukkelijker prevelend, declamerend en galmend – dan zorgt dat voor een verrassend emotionele impact. Je krijgt er niet helemaal greep op, maar het resultaat is pure poëzie. Idem voor het compacte “Papiruma”, dat iets minder dat majestueuze heeft en sneller mikt op een theatraal effect.

Iruman blijft zo’n album dat je niet helemaal uitgelegd krijgt. Hoewel Sakata en Di Domenico doorheen deze tien stukken spelen met een overduidelijke focus en eensgezindheid, is het ook een album dat je blijft ontglippen: door de tradities waaruit de twee putten, door de voortdurende creativiteit, maar ook door het persoonlijke verhaal dat hier verteld wordt. Iruman is, net als het concert van het duo, een van de verrassingen van het voorjaar.

E-mailadres Afdrukken