Banner

Meinrad Kneer

Van Amsterdam naar Berlijn (en terug)

Guy Peters - foto's: Martijn Grootendorst - 10 januari 2014

De Nederlandse improvisatiewereld maakt (net als de Belgische trouwens) een bloeiperiode mee. Wat opvalt is dat heel wat van de vertegenwoordigers buitenlanders zijn die er na studies of rondreizen zijn blijven hangen, vooral dan in Amsterdam. Een van de bekende gezichten is de veelzijdige, maar (te) weinig bekende bassist Meinrad Kneer, die niet enkel heen en weer pendelt tussen Amsterdam en Berlijn, maar ook tussen uiteenlopende muzikale omgevingen, zoals blijkt uit het korte overzicht hieronder.

Kneer is een bijzonder begaafd bassist, zowel met als zonder strijkstok, en zowel binnen de jazzgerichte als de meer abstracte, Europees getinte vrije improvisatie, getuige ook zijn goedgevulde cv, waarop je namen van uiteenlopende figuren als o.m. Han Bennink, Fred Frith, Tony Buck en Roscoe Mitchell ziet passeren. Hij speelt met een in Berlijn gebaseerd kwintet, was ooit lid van een baskwartet, houdt er een trio op na met Ab Baars en Bill Elgart, eentje met Andreas Willers en Christian Marien, én eentje met Jon Rose en Richard Barrett, elk met een heel eigen sfeer en aanpak. Daarenboven richtte hij samen met pianist Albert van Veenendaal ook het boeiende Evil Rabbit Records op, dat intussen al toe is aan z’n twintigste release (allemaal erg herkenbaar door het prachtige artwork). Een greep uit het recentere werk:

Mark Alban Lotz & Meinrad Kneer – U-Ex(perimental) (Evil Rabbit Records)

Fluitspeler Mark Alban Lotz startte in 2007 met een reeks van concerten in zijn thuisstad Utrecht. Met de hulp van Marcel Van Kranendonk (destijds programmator van het SJU Jazzpodium) en Meinrad Kneer leidde het tot een reeks van niet minder dan 120 concerten, waarbij volk vanuit de hele wereld over de vloer kwam. Om dat te vieren en te bewaren voor het nageslacht, werd besloten om twee dagen lang een hoop volk uit te nodigen in een kleine studio in Amsterdam (zo klein dat er geen plaats was voor een drumstel), waarvan de resultaten gebundeld werden op U-Ex(perimental). Lotz, Kneer en elf gasten zijn samen goed voor maar liefst zesentwintig beknopte stukken in vierenvijftig minuten.

Enerzijds is dat meteen voldoende bewijs van de veelzijdigheid van de gastheren – ze weten zich immers te handhaven in allerlei contexten van allerlei groottes (gaande van een duet van Kneer en Han Buhrs tot een sextet), waardoor het een voortdurend aanpassen is. Anderzijds krijg je natuurlijk af te rekenen met een geheel dat niet zozeer één groot verhaal is, maar wel een reeks compacte schetsen, waarvan er maar twee de drieminutengrens bereiken en er heel wat rond de anderhalve minuut blijven steken. Anders gezegd: een plaat als een veelkleurige mozaïek met een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Pianist Nico Huijbregts waagde zich met z’n dubbelalbum Dialogue Dreams aan een vergelijkbaar project, al wordt de lat hier wel wat hoger gelegd voor de luisteraar.

Door de uiteenlopende instrumenten -- gaande van viool/altviool tot trompet, saxofoon, gitaar en een enkele keer laptop (Koenraad Ecker van Stray Dogs), de vocale bijdragen en de verschillende temperamenten -- vindt er voortdurend een verschuiving van sfeer en stijl plaats: de ene keer wat dromerig of traag aftastend, de andere keer grilliger, nerveuzer, op het geïrriteerde af, met radde sprongen of excentrieke klanken, zoals bij de fagot van Dana Jessen, de vocale gekte van Han Buhrs of het hysterische gekweel van Jodi Gilbert. Een enorme rijkdom en variatie op één schijfje, al rest wel de vraag wat er van blijft hangen als ze aan zo’n tempo voorbij razen.

Andreas Willers, Meinrad Kneer & Christian Marien - Nulli Secundus (Creative Sources)

Deze release op het Portugese Creative Sources laat ondanks een zeer grote vrijheid een veel coherenter verhaal horen. Deze keer vertoeft Kneer in het gezelschap van gitarist Andreas Willers, die intussen al ruim drie decennia actief is binnen de vrije improvisatie, en de wat jongere drummer Christian Marien, die duidelijk in de traditie van de coloristen, eerder dan de ritmische drummers, geplaatst mag worden. Wat je op het album te horen krijgt, is immers een zeer Europees klinkende democratie die excelleert in wrijving, textuurverschuiving en brede dynamiek, met momenten tussen obsessief gepruts en extravert geharrewar, dat nu en dan zelfs tegen de vrije rock of de noise aanleunt.

Het wordt alleszins gepresenteerd op een knappe manier, met een paar langere, hypnotische stukken, die postvatten in de buik van de plaat en voorafgegaan worden door een handvol korte, stekelige stukken. Aanvankelijk maakt Willers gebruik van de binnen de vrije improvisatie eerder zeldzame akoestische gitaar, waardoor hij nu en dan haast aanleunt bij de folktraditie, maar dan wel die van de ontregeling. Later speelt hij elektrisch, wat meteen leidt tot meer uitgesproken uitspattingen met krassende en jankende uitschieters à la Billy Jenkins en stukken die hier en daar doen denken aan Frith (“Scoct”) of zelfs Hendrix in overdrive (“Ubersturz”). Het ultracompacte “Arcoring”, een onophoudelijk gekribbel en gekrabbel, klinkt zo ongedurig en weerbarstig dat het bijna gaat irriteren. Bijna.

De muziek van dit trio neigt wel vaker naar het neurotische, al gebeurt dat dan in combinatie met een indrukwekkende verkenning van de tonale mogelijkheden (hoor hoe gitaar en bas zich verhouden in “Unkunft”). De zeldzame keer dat Kneer de strijkstok even aan de kant laat, leidt dat meteen tot een hoogtepunt, zoals in “Froschball”, waarin Marien geluiden voortbrengt van een verkouden kikker of eend. Het zijn echter de langere stukken – “Geschiebenmergel” en “Fellatmung” – die met hun roterende, haast zwalpende hypnose het meest imponeren. Willers krijgt er regelmatig vrij spel op een fundament van autistisch geschraap, waar de ritmesectie graag gebruik van maakt. Een even taai als gefocust album.

Jon Rose, Meinrad Kneer & Richard Barrett - Colophony

Met Colophony, opnieuw een release op Creative Sources die in Berlijn werd opgenomen, belanden we op het terrein van de electro-akoestische muziek, en opnieuw een pak verder van het jazzterrein. Hier heeft Kneer zich omringd met muzikanten die al bakken ervaring opgedaan hebben. De Australische violist Jon Rose draait al decennialang mee in de wereld van vrije improvisatie en andere experimentele muziek, terwijl Richard Barrett een instituut is binnen het wereldje. Barrett is bovendien een van de leden van Evan Parkers gerenommeerde Electro-Acousctic Ensemble,de band die een paar jaar geleden nog een legendarisch concert gaf in Hasselt.

Het album laat door de dominante aanwezigheid van twee strijkinstrumenten natuurlijk een heel ander geluid horen dan het voorgaande, waardoor het evenwicht in dit driespan vooral moet komen van Richard Barrett, die er knap in slaagt om op allerhande manieren de voor de hand liggende paden te vermijden. Dit doet hij door het ene moment vooral in te zetten op haast percussieve klanken, van plasticachtig gerammel tot knetterend gezeur, maar net zo vaak met prominente blieps & blops, alsof hij de stijl van Ikue Mori en het geraaskal van R2D2 wil verenigen. De andere muzikanten tonen zich intussen van hun meest excentrieke kant, met abrupte wendingen, plots opduikende harmonieën en soms merkwaardige klanken. Het album flirt hier en daar met de monotonie, maar weet dat door de relatief compacte lengtes van de stukken en de imposante instrumentbeheersing net te vermijden.

Ab Baars, Meinrad Kneer & Bill Elgart - Give No Quarter

Het trio Baars, Kneer en Elgart zorgde voor misschien wel het hoogtepunt van het Konfrontationen Festival van 2012 in Oostenrijk. Het concert, dat ’s middags plaatsvond in de lokale Evangelische Kirche was er eentje waarbij alle stukjes op hun plaats vielen. Sfeer, sound en inspiratie zaten allemaal op één lijn, en het trio speelde een bevlogen performance die afwisselend energiek, bloedmooi en meditatief was. Opmerkelijk voor een band die eigenlijk niet zo frequent samenspeelt. Baars en Kneer vormden eerder al een duo, maar Elgart was er pas voor het eerst bij in 2010 en deze opnames dateren van de herfst van 2011 (dus negen maanden voor het concert in Oostenrijk). Toch kondigen ze al aan wat we in 2012 te horen zouden krijgen.

Net als Baars’ reguliere trio is dit een groep die heel mooi in evenwicht is en zowel thuis is in meer traditionele stukken (nu ja, traditionele freejazz, als er dan al zoiets zou bestaan) als in muziek die sterker neigt naar de (gecomponeerde) hedendaagse muziek. Binnen de woeligere stukken is het vaak Baars’ excentriek jammerende tenorsax die de hoofdrol speelt, al valt net zo goed op hoe bedreven Kneer hem van repliek dient met de vingers en de strijkstok. Elgart, die ervaring opdeed aan koningen van de dosering als Paul Bley en Lee Konitz, laat ook nooit meteen het achterste van de tong zien en valt vooral op door z’n subtiliteit. Het directere antwoorden laat hij vaak over aan zijn kompaan Kneer, die hier speelt met robuust zelfvertrouwen.

Doorheen dertien stukken krijg je dan ook het volledige gamma gepresenteerd, van bluesy freejazz (“Anacrusis”, “Specific Gravity” met kloeke wandelpartijen van Kneer), tot meer beheerste momenten (“Eurus”) en hier en daar een bedwelmende serenade (“Song For Our Predecessors” is een hoogtepunt). Voor twee stukken hanteert Baars de Japanse shakuhachi, wat de muziek meteen naar minimalistisch terrein stuurt. Zelfs daar valt echter op dat er niet zomaar ten dienste van… wordt gespeeld, maar dat de communicatie voortdurend op gang gehouden wordt, ook al is ze dan ragfijn en voorzien van amper waarneembare accenten. Een klasseplaat.

E-mailadres Afdrukken