Banner

e.s.t.

301

8.0
Guy Peters - 03 juni 2012

Toen de Zweedse pianist Esbjörn Svensson op 14 juni 2008 het leven verloor bij een duikongeluk, betekende dat een enorm verlies voor wie de Europese jazz een warm hart toedroeg. In een periode van vijftien jaar en een dozijn albums was het trio er immers in geslaagd om experiment en commercieel succes aan elkaar te koppelen zonder aan kwaliteit in te boeten. Bijna vier jaar na de release van Leucocyte komt label ACT op de proppen met restopnames, verzameld door de overblijvende leden. Die bewijzen dat de slotperiode voor een weelde aan materiaal zorgde.

Het experiment van e.s.t. (Esbjörn Svensson Trio) was niet zozeer te zoeken in radicale avant-gardetechnieken of obscure speeltactieken. Net als een hele resem andere bands, zoals ook die van Brad Mehldau, liet dit trio zich sterk inspireren door hedendaagse rockmuziek en elektronica, invloeden die hij ook in zijn muziek verwerkte zonder dat je kon spreken van krampachtig uitgevoerde avonturen of mengvormen waarbij de ingrediënten ongemakkelijk naast mekaar schurken. Naar het einde van z’n carrière toe was e.s.t. uitgegroeid tot een van de meest progressieve bands uit de mainstream en een act waarmee je zowel liefhebbers van traditie als vernieuwing mee kon aanspreken.

De zeven composities die verzameld zijn op 301 laten horen dat de opnames van januari 2007 in Syndey (in studio 301) een creatieve piek waren voor de drie. En meteen word je weer geconfronteerd met de ontdekking dat e.s.t. een idee van gelijkwaardigheid was, want van de eenvoudig dienende rol van veel ritmesecties in pianotrio’s is hier geen sprake. Drummer Magnus Öström was veel te eigenzinnig om zomaar op commando te swingen en te grooven, en zeker bassist Dan Berglund was enorm bepalend voor de bedwelmende sound en de heimelijke kracht van het trio, met baswerk dat zowel soepel en ultramelodisch kon zijn als beukend zoals bij de potigste rockband (iets dat hij intussen ook verder zette binnen z’n nieuwe band Tonbruket).

Svensson was op zijn beurt dan weer een virtuoos die het niet hoefde te hebben van kletterende statements of kijk eens hier-momenten. Soms viel hij gewoonweg terug op eenvoudige terugkerende motiefjes, liet hij de stilte voor zich spreken, wat die paar bevlogen momenten waarbij alles uit de kast gehaald werd er zoveel efficiënter op maakte. 301 lijkt op het eerste gehoor net wat minder eclectisch dan Leucocyte, maar dat is slechts schijn, want ook in deze zeven stukken loopt een rode draad die laat horen dat de band nog lang niet uitverteld was. Van de korte opener “Behind The Stars” -- een delicaat solostuk dat aantoont hoe jammer het is dat er nooit een soloplaat kwam van Svensson -- tot de al even charmante en fragiele (de bassolo!) afsluiter “The Childhood Dream” valt er geen valse noot te bespeuren. Integendeel.

Een mooie combinatie van ingetogen pianomuziek, minimalisme haast, en subtiele elektronica vind je in “Inner City, City Lights”, waar ruisende en fluitende klankgolven op gelijke hoogte staan met Berglunds trage baslijnen, het ritmische skeletwerk van Öström en het spaarzame spel van Svensson. Iets soepeler en wendbaarder gaat het eraan toe in “The Left Lane”, dat e.s.t. als dansend pianotrio laat horen, met exotische ritme-elementen en een de kop op stekende ongedurigheid die een bruisend contrast vormt met de momenten van ingetogenheid. De reden om dit schijfje aan te schaffen, en die het verheft boven het postume dessertniveau, is echter het tweeluik “Three Falling Free I & II”, twintig minuten die passen binnen een e.s.t.-traditie van imponerende suites.

Begint het allemaal nog met een glazen helderheid die nog eens Berglunds melodieuze kracht onderstreept en Svensson De Dromer laat horen, dan vindt er gaandeweg een verplaatsing plaats naar rumoeriger terrein. De vijftien minuten durende tweede helft vertrekt vanuit cimbalengetik, maar werkt al snel aan een steeds toenemende densiteit en rumoerigheid, zeker als Svensson zich erbij voegt met herhalende, gedempte aanslagen. Het is echter Berglunds overstuurde bassound die het geheel een enorme stuwing geeft en laat openbarsten tot een monsterjam die minstens evenveel rock als jazz is, met een ritmesectie die met een machtige power en gezaghebbendheid dondert en raast en tiert. Zelden hoor je een jazzband uitpakken met zo’n bonkende, zelfs overrompelende performance.

301 afdoen als makkelijke cash-in, is niet enkel een flauwe beschuldiging, maar ook een cynische misdaad. Öström en Berglund hebben niet alleen juist ingeschat dat dit materiaal gehoord mag worden, het is voor de liefhebbers ongetwijfeld een godsgeschenk. Voor al de rest is het misschien zelfs de ideale introductie tot een band die hier vooral zijn introverte gezicht laat zien, maar in één beweging ook laat horen mee te kunnen met de helden van het grote gebaar. Restjesplaat? Technisch gesproken wel, maar dan zijn het wel zowat de restjes van het jaar, en geen opgewarmde, smaakloze pap.

E-mailadres Afdrukken