Banner

Pajo

Pajo

Andy Van Pachtenbeke - 17 oktober 2005

De naam Slint klinkt deze dagen vooral als een echo uit een ver verleden. Al in de late eighties tekende de band als een van de pioniers de lijnen van de postrock uit. David Pajo heeft sindsdien talrijke muzikale omzwervingen gemaakt en staat er nu terug, enkel als zichzelf: sober, beheerst en een meesterlijke singer-songwriter.

Het moet nu maar eens gedaan zijn met artiesten die in de huid van honderdduizend alter ego’s kruipen om toch maar zoveel mogelijk platen te kunnen maken. Met de verschillende gedaantes van Will Oldham alleen al kun je een ganse voetbalploeg op het veld zetten. David Pajo moet daar allerminst voor onderdoen. Een overzichtje, iemand? Naast het invloedrijke Slint, vertoefde Pajo onder meer bij Tortoise, Stereolab en recent nog Zwan en produceerde zijn solowerk onder namen als M, Aerial M en Papa M. En dan laten we er nog een boel weg. Het vliegend schijt en barstende hoofdpijn krijgen we ervan. Probeer het als recensent maar eens allemaal te volgen. U kunt zich onze opluchting voorstellen bij deze nieuwe plaat, die simpelweg verschijnt onder de naam Pajo.

Niet alleen de naam heeft een vereenvoudigingskuur ondergaan, ook op muzikaal vlak betekent Pajo een evolutie richting soberheid en minimalisme. Pajo heeft het rijke instrumentarium uit zijn verleden uitgedund tot een enkele akoestische gitaar en een laptop. Pajo’s gitaarspel lijkt op dit album rudimentair en doordacht onbeholpen. De man kent alle trucjes om de sfeer van ongedwongen musiceren rond een knetterend haardvuur (de tijd van kampvuren is stilaan weer voorbij) op te roepen. Het geluid van glijden over de frets en af en toe een kletterende snaar zijn even belangrijk als het vinden van de juiste akkoorden. Ook van de laptopgeluiden hoeft u geen wereldschokkende experimenten te verwachten. Wat u hoort, zijn de eerste, aarzelende stapjes van iemand die de elektronica pas ontdekt heeft. Pajo heeft in hoofdzaak digitale percussie toegevoegd, zonder daarmee afbreuk te doen aan het ambachtelijke karakter van zijn songs.

De nummers op Pajo zitten meestal goed ineen. De melodieën herinneren vaak aan Simon and Garfunkel ("Ten More Days", "Manson Twins"), maar dan zonder de occasionele meligheid. Al is de meest voor de hand liggende referentie misschien wel de betreurde Elliot Smith. Pajo gaat net als Smith zuinig om met zijn zang en gebruikt goedgeplaatste stiltes om de sfeer in de songs kracht bij te zetten. Vooral in "War Is Dead" en "Icicles" vinden we echo’s van de overleden troubadour terug. Onze favoriet is echter de vroeg-Dylaneske folkmelodie van "Mary Of The Wildmoor". Klinkend als op een veredelde demo, heeft Pajo hier een intensiteit vast die op de andere nummers van dit album af en toe ontbreekt. Enkel op de gesproken afsluiter "Francie" refereert David Pajo aan zijn postrockverleden bij Slint. Helaas breekt hij hiermee de sfeer van het album, waardoor Pajo op een afknapper eindigt.

Behalve dit teleurstellende slot behoort Pajo tot het betere werk van David Pajo. In al zijn veelzijdigheid bewijst de man zich ook in het heel ingetogen genre uit de slag te kunnen trekken. Fans zullen misschien even moeten wennen, maar eens voorbij de verwondering, ligt de schoonheid voor het rapen.

E-mailadres Afdrukken