Banner

Daniel Menche

Guts

Guy Peters - 17 februari 2012

Stel je voor dat je een fabriekshal uit de zware staalindustrie binnenwandelt, eentje waar eindeloze rijen gigantische machines niets anders doen dan tonnen metaal samenpersen, aan de kook brengen en als gloeiende rode pap opnieuw uitkakken, vrachtwagens en heftrucks de hele tijd af en aan rijden in zwarte dieselwolken en legers met zweet bedekte Geoff Capes-klonen van hot naar her marcheren en in de weer zijn met slijpschijven, drilboren en andere industriële gadgets die de gemiddelde vent amper opgetild krijgt. Een kabaal van jewelste dat je niet kan ondergaan zonder doodsgrimas en beschermingskledij. Een frontale verkrachting van de oren. Van lijf en leden. Zo ongeveer klinkt het begin van Guts.

Daniel Menche is dan ook een geluidsexperimentalist (of –terrorist) die al ruim twintig jaar bezig is met geluid in z’n meest directe en radicale vorm. Er zijn geen beperkingen, geen remmingen, geen bij voorbaat uitgesloten mogelijkheden. Wat er is, mag gebruikt worden. De leuze: “Music is like one’s own blood- so amplify it! As loud as possible – make the speakers bleed!” Het gevolg: concepten als melodie, harmonie, structuur en ritme worden overboord gegooid. Waarom zo’n georganiseerde omweg als je net zo makkelijk direct naar de bron kan doorstoten?

Op Guts is Menche in de weer met piano; en de piano…, die moet eraan geloven. “Thrashed piano noise” is hoe hij het zelf omschrijft en na het beluisteren van het album kan je je ook niet voorstellen dat er nog een spaander heel gebleven is van het instrument. Hoe hij dat precies uitgevoerd heeft, geen idee, maar het zal een verregaande vorm van prepared piano zijn. Het klinkt in opener “Guts 2x4” (niet op de vinylversie) alleszins alsof hij het arme object in elkaar ramt met allerlei apparaten, de onderdelen op allerhande manieren misbruikt en er nog eens overheen rijdt met een bulldozer. Brute death metal wordt zo iets voor watjes.

En dan wordt ook plots duidelijk hoe goed die titel gekozen is. De hoes toont een X-ray van een chihuahua, maar meer dan dat is er natuurlijk ook nog het besef dat Menche de organen van de piano binnenstebuiten keert. Het subtiele spel van schakeringen dat met een gemodificeerde binnenkant op poten gezet kan worden, komt hier niet aan de orde. Menche houdt zich niet in en lijkt het instrument te beschouwen als een verzameling hout, metaal en ivoor waar fantastische dingen mee aangericht kunnen worden. Destructieve, apocalyptische dingen. Nochtans wordt het brute extremisme van de opener al snel verlaten.

De drie resterende tracks (drie keer twintig minuten, het lijkt wel alsof er een chronometer naast stond) volgen een iets meer beheerste koers, al krijg je daar ook zenuwslopende momenten van gekmakende intensiteit gepresenteerd (zeker als je Menche’s advies – geef die volumeknop een zwik naar rechts! – volgt). Het ratelt, galmt, siddert, davert, klettert en dondert erop los, alsof al die bestanddelen plots een eigen leven zijn beginnen leiden en het instrument gewoonweg uit elkaar dreigt te barsten, met onheilspellende hoge frequenties, brommende bastonen en metalige bijklanken.

Heeft dat het ene moment iets van een sinistere onheilsaankondiging – dit is echt materiaal om bezoek de stuipen op het lijf mee te jagen - , dan kan je je op andere momenten enkel maar afvragen wat er in godsnaam in die duivelskast huisde. Menselijk kan het niet geweest zijn. Het is een bacchanaal van resonerende onderdelen en overstuurde frequenties waar je vooral vijanden mee zal maken, maar wie eens de confrontatie aan wil gaan met een écht onvergelijkbare opponent, die hoeft niet langer te zoeken. Guts, zeventig (in het geval van de 2LP tachtig) minuten ingeolied oertestosteron, staat klaar om elke overmoedige vrijwilliger een genadeloze afranseling te bezorgen.

E-mailadres Afdrukken