Banner

Motian Sickness

For The Love Of Sarah

Guy Peters - 18 januari 2012

Drummer Jeff Cosgrove had er vast niet op gerekend dat Paul Motian, de jazzlegende wiens werk hij hier onder handen neemt, niet lang na de opnames zou overlijden. Naar verluidt zou die Motian de opnames wel nog gehoord hebben. Misschien gaf dat nog een positieve wending aan een verhaal dat anders een wat wrange bijsmaak gehad zou hebben, zeker omdat de muziek op for The Love Of Sarah absoluut een publiek verdient.

Om te beginnen was Motian (1931-2011) al geen kleine jongen. Als twintiger maakte hij deel uit van het meest gelauwerde pianotrio uit de jazzgeschiedenis (de tandem met Bill Evans en Scott LaFaro geldt tot op de dag van vandaag als de standaard voor elegantie), maar ook daarna bleef hij een centrale figuur. Zocht hij aanvankelijk vooral heil bij andere pianisten als Paul Bley en Keith Jarrett, dan ging hij daarna ook veel andere samenwerkingen aan, met o.m. Charlie Haden, Tim Berne en, meest bekend, Joe Lovano en Bill Frisell. Wat de man onderscheidde van andere legendarische drummers, was een voorkeur voor doorgedreven impressionisme. Hoewel hij eerder zelden in freejazz-context te horen was, was Motian bij uitstek de man van de ‘free time’, waarbij de rol van de drummer niet zozeer draaide rond het aanhouden van de maat, maar het voorzien van een in beweging blijvende ondergrond van percussie.

Op Motian Sickness valt te horen dat die aanpak -- een voorkeur voor schaduwrijke flou en suggestiviteit, eerder dan het welomlijnde en het krachtige statement -- ook z’n gevolgen had voor zijn composities, die vooral opvallen door subtiliteit en fijnmazigheid. Er vallen met andere woorden weinig meefluitmomenten te rapen op For The Love Of Sarah, dat het vooral moet hebben van sfeervol (maar zeker niet luchtig) samenspel van vier muzikanten die alles inzetten op collectief weefwerk dat hier en daar wel te klasseren valt als een moderne postbopvariant, maar net zo goed kamermuziekwateren opzoekt. Dat laatste is ongetwijfeld ook een gevolg van de bezetting, waarbij vooral de combinatie van altviool en mandoline wat eigenaardig kan lijken.

De twee instrumenten hebben een wat vergelijkbare klank, zeker als violist Mat Maneri de strijkstok achterwege laat, en zorgen sowieso voor sound en sfeer die het geheel naar meer klassieke en Europese aandoende contreien stuurt. De band baant zich een weg door tien Motiancomposities, waarvan er heel wat behoren tot z’n meest uitgevoerde werk (“Mumbo Jumbo” en “Time And Time Again” zijn in talloze versies beschikbaar, terwijl “The Storyteller” nog een interpretatie meekreeg van Marilyn Crispell) en vooral behoorden tot het repertoire van de band met Lovano en Frisell. Het is daarbij mooi om te horen hoe Cosgrove werk selecteerde en liet uitvoeren dat zowel in korte brokken als uitgewerkte stukken te verdelen valt.

Opener “Dance” is een voorbeeld van het beknopte uiterste, met simultaan gespeelde melodieën van Maneri en mandolinespeler Jamie Masefield, terwijl Cosgrove en bassist John Hébert (een vaste waarde uit de New Yorkse scène rond Mary Halvorson & co.) zorgen voor een woelige ondergrond. Er vallen hier en daar nog stukken te rapen vol ingehouden rumoer, maar de algemene indruk is er een van melancholische ingetogenheid en ECM-metaforiek. Prachtig voorbeeld is ook “Conception Vessel” met z’n cimbaalgolven en de spanningsopbouw tussen Maneri’s klagerige altviool en de delicaat geplukte mandolinesnaren. Melodieën lijken de kop op te steken en te vervagen, bas en drums voeren een sierlijke dans uit rond hun partners. Minder dromerig, maar al even vloeiend, zijn “Mumbo Jumbo” en “The Owl Of Cranston”, stukken die schijnbaar moeiteloos voortdobberen zonder een seconde te gaan vervelen.

Het album lijkt bij een eerste indruk vooral gedomineerd te worden door Maneri en Masefield, maar meerdere beluisteringen laten horen dat dit een door en door collectieve krachttoer is, waarbij elke muzikant voortdurend zelf kan bepalen wanneer naar de voorgrond te treden en bij te kleuren. Of het nu gaat om het lieflijke walsje “The Story Of Maryam”, een portretje dat uitgevoerd wordt met perfect geplaatste penseelstreken, of het secuur opgebouwde “Arabesque”: het album wordt samengesteld met een enorme zin voor detail. Wie op zoek is naar een spetterend uurtje jazz kan deze plaat aan zich voorbij laten gaan, maar fijnproevers die iets hebben met bovenvermelde artiesten kunnen dit kleinood zonder aarzelen aanschaffen. Veel geslaagder kan een eerbetoon aan zo’n gigant moeilijk worden.

E-mailadres Afdrukken