Joost Swarte

New York Boek

8.5
Joris Vanden Broeck - 27 november 2017

Op kerstavond zal Joost Swarte zeventig worden, maar dat is aan zijn tekeningen niet te zien. Fris, tijdloos zelfs, zo ziet het werk er uit dat de Nederlander voortbrengt. Enkel het jaartal in zijn handtekening verraadt de leeftijd van de prenten. Ruim twintig jaar geleden verscheen werk van Swarte voor het eerst in The New Yorker en wat hij sindsdien in het blad publiceerde, wordt vandaag gebundeld in het mooie New York Boek.

Het is in deze contreien een zeldzaamheid geworden, maar de gedrukte pers deed ooit veelvuldig een beroep op illustratoren om hun pagina's te verluchten. Tot ver na de opkomst van de fotografie bleven ze geregeld opduiken, in Vlaanderen voornamelijk in Humo: getekende covers en, doorgaans in De Standaard, kleine illustraties binnenin. Ever Meulen was er goed in en wie zijn bundel van Humo-covers -- ondertussen een kwarteeuw oud -- doorbladert, stelt vast dat de tekeningen een uitstraling hebben die een bij elkaar geplakte frontpagina met bekende gezichten zelden of nooit zal bereiken.

Ook Joost Swarte, de Nederlandse spitsbroeder van Ever Meulen, dook geregeld op het voorblad van Humo op. Net wanneer hier de getekende covers het pleit leken te verliezen, vond Swarte in The New Yorker een nieuwe opdrachtgever. En wat voor een. Week na week, al ruim negentig jaar, plaatst The New Yorker een tekening op zijn voorblad. Soms is die gelinkt aan de actualiteit, geregeld aan de veranderende seizoenen, de tijd van het jaar. Heel af en toe is er een verband met een stuk in het blad. Maar dat hoeft niet. Vooral moet het, net zoals de stukken die gepubliceerd worden, simpelweg heel erg goed zijn.

Als er een tekenaar in de Lage Landen in staat is heel erg goede tekeningen af te leveren, dan Swarte. Bladeren door zijn bundel is een feest. Hoewel zijn stijl uit de duizend herkenbaar is, blijft Swarte met elke tekening verrassen. Weinigen, Ever Meulen niet te na gesproken, zijn immers in staat om zo veel zo sober te brengen. Een tekening van Swarte kan bol staan van de fantasietjes, die elk een verhaal op zich vormen, zonder dat het ooit druk aanvoelt. Altijd is er, dankzij de uitstekend gebalanceerde bladspiegel en de messcherpe klare lijn, een gevoel van ruimte. De tekeningen krijgen de kans te ademen.

Die aanpak loont: sla het boek eender waar open en nergens, zelfs niet wanneer de tekening over de verkiezingen gaat, heb je het gevoel naar iets gedateerd te kijken. Hooguit doet de Swartes stijl denken aan de jaren vijftig, maar dat is dan vooral te danken aan klare lijn-grootmeester Hergé en diens topperiode tijdens de fifties.

Het interessante aan New York Boek is echter niet alleen de tijdloosheid van het werk, maar de schetsen die tonen hoe Swarte, in samenspraak met de redactie, tot het uiteindelijke resultaat komt. Zelfs in zijn ruwe potloodtekeningen toont Swarte zich een meester. De ruwste schetsen zijn in onze ogen van zo'n kwaliteit dat ze gerust gebruikt zouden kunnen worden. Maar dat is vast de reden dat iemand anders hoofdredacteur is van The New Yorker en wij niet.

Hoe dan ook, zoals zijn tekeningen op een rustgevende manier de soms gigantische lappen tekst in The New Yorker verteerbaar maken, en zijn covers helpen om het blad uitstraling te geven, zo fascinerend en fantasie prikkelend zijn ze wanneer ze in een bundeling samengebracht worden. Hoewel hij bezwaarlijk nog tot de jonge garde gerekend kan worden, toont Swarte hier dat zijn werk nog lang niet verouderd is en dat dat vermoedelijk niet snel het geval zal zijn.

E-mailadres Afdrukken