Banner

Dood Paard

Wachten op Godot

Anne Dekerk; Matthieu Van Steenkiste - 15 mei 2002

De keuze voor het stuk leek zo evident. Wie anders dan Dood Paard zou de kloof tussen wat gezegd en gedaan wordt goed kunnen ensceneren? Maar helaas, het gezelschap vertilt zich aan Becketts meesterwerk en wat eerst een gouden combinatie leek gaat tenonder in de worsteling met de karikatuur die het stuk in de collectieve herinnering geworden is.

Met Wachten op Godot koos het Nederlandse gezelschap voor hét "stuk van de twintigste eeuw". En misschien wringt het daar wel: ondertussen is de eenentwintigste begonnen en kun je dan nog een stuk spelen, dat zo'n icoon is geworden van een voorbije tijd? Immers: de situatie is zo overbekend, de clou al zovele malen verteld dat het een huizenhoog cliché is geworden.

Kun je dan nog anders doen dan vervelen, met een stuk waarvan iedereen al weet dat de plot net is dat er geen is. Als je dan nog bij rekent dat de erven Beckett theatermakers slechts een minimale speelruimte laten (al moet dit niet overroepen worden), dan dringt de vraag zich op of het stuk nog wel speelbaar is.

Dood Paard vindt van wel en koos Beckett’s stuk omdat de humor en thematiek aansloten bij de fascinaties van de groep. Dat kan kloppen: het gezelschap speelt regelmatig met de idee van de moderne mens in een worsteling met de tijd, die de tijd tracht te vullen,…

De sterkste band met Beckett ligt misschien echter nog in de functie en de werking van de taal: ook bij Oscar van Woensel wordt er veel gesproken maar weinig gezegd. Wie anders dan hem zou de meester van de ellenlange zinnen zonder doel kunnen spelen dus. De keuze van Dood Paard voor Beckett leek zo evident. En toch.

Meer dan twee uur duurt de veldslag tussen acteurs en auteur. Het wordt een zinloze strijd met enkel verliezers: de spelers, de schrijver, en vooral: het publiek. Dat zuchtend ineenkrimpt als het opnieuw instorten van de stoelentoren de tweede dag inluidt.

Met één regie-aanwijzing werd niet letterlijk rekening gehouden: de vereiste boom werd een antenne met televisie onder. Maar daarnaast onderscheidt Dood Paard zich enkel van vele andere opvoeringen en interpretaties door het dagdagelijkse van het wachten te benadrukken. Zo slagen ze er in de zware symbolische reputatie van het stuk te ontmijnen. Als geestesgenoten van Discordia en Stan is dat voor hen natuurlijk gefundenes fressen, al blijven ze er niet consequent in.

Van Woensel en Kuno Bakker als Vladimir en Estragon houden zich aan het franjeloze, onderkoelde dat we van het gezelschap gewoon zijn, maar telkens Jeroen Perceval en vooral Gillis Biesheuvel als Pozzo en Lucky het podium opkomen wordt er al te nadrukkelijk gespééld. En dat heeft zo zijn gevolgen: doordat het trage ritme van de ene wachtscène botst met het hoge ritme van de andere Pozzo-en-Luckyscène, zakt het geheel als een soufflé in elkaar.

Van alle bewegingen om met de leegte om te gaan blijft weinig overeind. Meer nog: de tekst verwordt in deze voorstelling tot vervelende dorre woorden, die niet eens gehoord worden door het publiek. En net dat maakt de dynamiek van de tekst uit: de verwoede pogingen om met de leegte om te gaan, het tevergeefs zoeken naar contact, het spelen met tijd en non-tijd en het dwangmatig creëren van een wereld met woorden. En dat is iets anders dan het publiek gewoon doodvervelen.

Van Dood Paard zou je ook meer verwachten. Ondanks hun steeds verfrissende kritische toon slaagden de theatermakers er deze keer niet in om scherp op de snede te spelen. Integendeel: ze komen niet los van een karikaturale visie op de tekst en vergeten dan ook er een Dood Paardvoorstelling van te maken.

E-mailadres Afdrukken