Banner

Dood Paard

Geslacht

Robin D'hooge - 15 maart 2004

Ook de meest oranje haren worden ooit grijs. Kraakpanden ? Ingeruild voor een praatbarak vol holle woorden. Agressie maakt plaats voor schaamte: Hoe gaat het met jouw idealen ? Dood Paard brengt ze voor eens en altijd naar de slachtbank.

Punks op middelbare leeftijd, het heeft iets pathetisch. Yokram en Chra zijn met elkaar vergroeid, hoe uitgekeken ze ook zijn. "Ik zit hier, jij zit daar. Tussen ons een rivier van onverschilligheid." Hun leven is uiteindelijk amper meer dan een economisch gegeven, overstelpt door cynisme. Een bevriend (ex-)wethouder verliest zich bij voorkeur in mannelijk vlees, hoe jonger hoe liever.

Het venijn van vroeger sluimert nog, maar keert zich vooral tegen wie hen probeert te herinneren aan waar ze ooit voor stonden. De personages in Geslacht hebben zich intussen al lang laten uitkopen. Elk op hun manier sloten ze een compromis met de maatschappij waar ze zich ooit van afkeerden, hun grootste frustratie lijkt wel dat ze daar zelf vrijwillig mee instemden. Maar alles went, en je leert hoe je om dingen heen kan palaveren, als "lucht die stil staat," zoals Chra het uitdrukt.

Wanneer de wethouder besluit zijn nieuwste vriendje over te vliegen uit Chili, wordt hun porseleinkast even grondig dooreengeschud. De import-Caliban is puur en onbevangen, het cynisme, waar hier in Europa op geteerd wordt, is hem volledig vreemd. Al snel proberen de andere personages deze anomalie uit te roeien, hem te corrumperen, om het verlies van hun eigen idealen te verantwoorden. Iedereen heeft zijn prijs, zo is het toch ? Maar al snel blijkt de eenvoudige jongen een miskoop. Hij wordt ziek van de spelletjes en verlangt naar zijn geboorteland, "waar je de grond nog kan voelen."

Van verlossing of een echte ontknoping is amper sprake, maar dat zijn we van Dood Paard ook niet gewend. Erger is dat de plot voorspelbaar verder kabbelt, om dan abrupt af te breken. Oorspronkelijk was het de bedoeling van Dood Paard om eindelijk eens een well-made play te maken, uitgebalanceerd, met "een goed begin, een goed midden, en een goed einde". Daar was het collectief tot nu toe eigenlijk amper mee bezig, en dat is misschien ook precies waarom het hier en daar fout loopt. Wanneer De Graaf over dit stuk praat, verwijst hij graag naar Edward Albee. De grote kracht van Who’s Afraid of Virginia Woolf ligt echter in de dialogen en die maken hier plaats voor soms langgerekte, pessimistische monologen van mensen die amper naar elkaar luisteren. Als publiek vraag je je op den duur een beetje af waarom jij dat dan wel zou doen. De dichterlijk mooie, maar bikkelharde taal heeft bij momenten veel weg van een Franse film. Zo eentje waarin oeverloos intelligent gepraat wordt, zonder echt verhaal of ontwikkeling.

Het hele stuk door lijken de acteurs vooral te proberen om aan hun dwangbuis te ontsnappen.De conversaties worden meestal nog net op tijd afgesneden door burleske, muzikale intermezzo’s om de aandacht gaande te houden. Tegelijk worden een paar losse, fraai geformuleerde reflecties over liefde ondanks alles, ontdaan van elke romantische franje, hierdoor onvoldoende in de verf gezet. De auteur toonde zich volgens een interview in De Volkskrant aanvankelijk verwonderd over deze ingrepen, maar ze blijken levensnoodzakelijk om meer vaart in het stuk te krijgen. Toch kunnen ze de dramatische spankracht van het verhaal niet redden.

E-mailadres Afdrukken