Banner

Olympique Dramatique

Kunstminnende Heeren

Carmen Van Cauwenbergh - foto's: Koen Broos - 12 november 2008

“Een wit doek is het ergste waar een kunstenaar kan voor staan. Dat is niet van mij, dat is van Picasso. En als hij het al zegt.” Een van de talrijke uitspraken van kunstenaars die in de tekst van Kunstminnende Heeren zit verweven.

En die tekst is een primeur. Voor het eerst hebben de heeren van Olympique Dramatique een eigen tekst geschreven. Waar ze vroeger altijd vertrokken van het rijk gevulde teksttheater-archief, zijn ze nu van nul vertrokken. Maar de link met de oude werkwijze is er nog steeds: er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van reeds bestaande werken van onder andere Sam Dillemans, Pablo Picasso, Chet Baker, Benoît van Innis en Charles Ray.

Toch is deze voorstelling er niet enkel een over kunst geworden maar ook, en vooral, een over de mens die op zoek gaat: naar zichzelf, naar een doel en naar zingeving. Niet altijd gemakkelijk als we de woorden van schrijvers Edmond en Jules de Goncourt mogen geloven: “De laatste dagen last van een vage melancholie, een moedeloosheid, een traagheid, een slapheid van lichaam en geest.” Met deze gevleugelde woordenstroom stelt Geert Van Rampelberg zich in een kunstzelfhulpgroep voor aan de overige drie leden, die daarvoor in een minder gevleugelde situatie van absurde miscommunicatie waren terechtgekomen. Veel verder dan “Hallo, ik ben...” waren ze nog niet gekomen.

Waar de personages soms letterlijk over hun woorden struikelen, daar schiet de kunst te hulp. Het construeren van beelden vormt niet alleen een belangrijk onderdeel van hun persoonlijke zoektocht, maar biedt hen ook de mogelijkheid om toenadering te zoeken tot elkaar. Soms moeten ze elkaar tonen wat ze met woorden niet kunnen zeggen. Een mooi voorbeeld daarvan is de stotterende Benoît, gespeeld door Stijn Van Opstal, die een gedicht van zijn favoriete dichter Pablo Neruda wil voordragen. Zijn woorden laten hem in de steek, maar gelukkig vinden zijn gevoelens en gedachten een uitweg in het bespelen van een trompet.

Ook beeldend graait het kunstminnend gezelschap dus in de bestaande voorraad, maar het neemt niets klakkeloos over. Olympique Dramatique herinterpreteert en voorziet de beelden net als de teksten van een nieuwe context. Daardoor overstijgt het viertal het puur beeldende en treedt het, dankzij de extra verkregen betekenis, een nieuwe dimensie binnen. Daarbij moeten zelfs de grootmeesters eraan geloven: een klassiek schilderij met drie naakte figuren wordt op scène gesleept en door de acteurs zonder schroom nagebootst. Daarbij verdiepen de personages zich intussen, lichtelijk absurd, in de wereld van het wielrennen en de volières, wat de mythische allures van het schilderij neutraliseert. De figuren op het doek worden mensen van vlees en bloed. Mensen die alles proberen om de verveling te verdrijven en eeuwig op zoek zijn naar iets om het gevoel van een constant gemis het zwijgen op te leggen: “Ik heb alles. Maar geen droom. Dat ontbreekt er mij. Een droom.”

Olympique Dramatique laat verschillende kunstenaars, personages en werken met elkaar versmelten, zonder het relativerende aspect uit het oog te verliezen.Daardoor weet de voorstelling zich niet alleen pretentieloos en in alle eenvoud te tonen, maar straalt ook het spelplezier van het viertal af op de zaal. De tekst op zijn beurt geeft subtiel een inkijk in de fascinaties van de acteurs, zonder pronkerig uit te pakken met hun kennis van de kunstgeschiedenis. Meer zelfs, ze creëert een eigen bescheiden kunstgeschiedenis, die overtuigend en speels wordt gedeeld met de toeschouwers.

Met Kunstminnende Heeren weet Olympique Dramatique een universeel verhaal te brengen van de mens die de zotste dingen uithaalt om zijn eigen bestaan te verantwoorden. Kunst als een manier om een plaats in deze wereld te veroveren. “In deze zoektocht gaat het erom overeind te blijven, ondanks alle mogelijkheden om te vallen.” En dat is niet van mij, maar van Paul Klee.

E-mailadres Afdrukken