Banner

Toneelhuis / Abke Haring

Trainer

6.5
Stefanie Lambrechts - foto's: Kurt Van der Elst - 18 december 2013

Vijf arbeiders opgesloten in een tijdloos universum, met alleen nog de cadans van het werk als troost. Abke Haring laat in Trainer een mechanische wereld zien die tegelijk ver weg en ontzettend dichtbij lijkt. Alles gaat zijn gangetje. Zelfs als iemand uit de routine breekt, gaat alles. Gewoon. Zijn. Gangetje.

De maatschappij die Abke Haring op scène laat zien, zou perfect kunnen kloppen met hoe Huxley het ooit bedoeld heeft in zijn roman Brave New World. In een precieze choreografie pinnen de personages zich vast op hun dagdagelijkse werkhandelingen. Boven hen hangt een enorme machine, waaruit af en toe dreigend geluid ontstaat. De personages zijn leeg, en houden zich stevig vast aan het consequente ritme van hun bewegingen. Haaks op deze mechanische acties -- die worden benadrukt door het felle neonlicht en de machinale klanken -- praten de arbeiders over banale dingen; dingen die hen bezighouden, irriteren of aanspreken. “Het tocht hier”, zegt de briljante Marlies Heuer, terwijl ze leeg voor zich uit staart. Het oogcontact is schaars in Trainer , en niemand lijkt elkaar echt te kennen of te begrijpen.

Dankzij het decor van Jean Bernard Koeman, het lichtontwerp van Stefan Alleweireldt en het geluidsontwerp van Senjan Jansen, slaagt Trainer uitstekend in het creëren van een tijdloos universum. Het voelt onbekend, bijna niet te plaatsen, maar tegelijk beangstigend herkenbaar. De Nederlandse theatermaakster wil vooral gedachten of toestanden tot uitdrukking brengen, eerder dan een verhaal, in een voor haar noodzakelijke tijdloosheid. Een naadloos parcours van a tot z is Trainer dan ook absoluut niet. De verhaallijn blijft vaag, en niets wordt letterlijk uitgesproken. Reden te meer om de verbeeldingsmachine op gang te brengen. Dankzij de abstractie die wordt gerespecteerd, wordt de toeschouwer verplicht zelf de gaten in te vullen. Dat maakt Trainer juist interessant.

Het minutieuze handelen van de fabrieksarbeiders wordt op pauze gezet om te herladen in een soort van UV-bank. Dankzij de kwetsbare monoloog van acteur Jonas Vermeulen, lijken ze toch een soort van resterende menselijkheid te bezitten, ook al duurt deze monoloog iets te lang. Hij praat maar door, over het opgesloten zitten, over een kaars in de wind, over de gesloten deuren. Het is dan ook net op tijd dat een van de personages voor een catharsis zorgt, wanneer hij zich plots begint uit te kleden. Als een dolle hond verliest hij zichzelf in de mathematische dans, totdat hij buiten adem niet anders kan dan opgeven. Op dat moment klautert een man -- die niemand ooit eerder heeft gezien -- uit het plafond, de gecreëerde wereld in. Het blijkt een echt mens te zijn, die als een soort van foute deus ex machina de verloren uitgeklede ziel te redding schiet. Er is dus hoop. Maar dit lijkt de andere arbeiders niet bezig te houden, wanneer ze gewoon doorgaan met het ritueel van onderdrukking.

Het is duidelijk dat Abke Haring streeft naar maatschappelijk relevant theater in Trainer. Zij heeft niet de behoefte om theater te maken dat entertaint. Het opzet is voor iedereen duidelijk: een maatschappij van mensen die meer en meer onder de knoet liggen van de economie en de technologie, tot ze ons bijna verstikt. Dan een enkeling die zich losrukt, opnieuw naar de pathetische mensheid; back to basic. Zelfs in Harings abstracte vormtaal spreekt deze boodschap glashelder, en misschien zelfs een beetje te. Alleen snijdt het glas niet. De effectieve herkenning en emotionele betrokkenheid blijft grotendeels uit. Zodra de tekst van Haring de banaliteit loslaat en het diepe opzoekt, verdwijnt de dramaturgische spanning tussen abstractie en het dagdagelijkse. Een jammere zaak, waardoor de voorstelling halverwege inboet aan kracht.

E-mailadres Afdrukken