Banner

Sophie Podolski. Le pays où tout est permis

WIELS, Brussel

7.0
Dagmar Dirkx - 23 februari 2018

Bij WIELS kronkelen deze dagen de psychedelische tekeningen en woorden van de Brusselse Sophie Podolski over de muren. Toch laat de expositie Le pays où tout est permis nooit echt alle remmen los.

De tentoonstelling kadert in het project van WIELS om “over het hoofd geziene kunstenaressen of onbekende aspecten van hun werk, zoals Evelyne Axell en Anne-Mie Van Kerckhoven” binnen te smokkelen binnen de Belgische canon. In de driedelige expositie haalt curator Caroline Dumalin inderdaad niet alleen Podolski’s cultboek Le pays où tout est permis (1972) van onder het stof, maar gunt het publiek ook een blik in haar eerste gravures, beeld-, kleur- en inkttekeningen, collages en keramieken.

Het eerste luik gaat in op de “Persoonlijke mythologie” die de kunstenares creëert tussen 1968 en 1974, wanneer ze een eind maakt aan haar leven. Ze schrijft en tekent zich op amper zes jaar tijd naar een enorm oeuvre, startend met de zoektocht naar een eigen signatuur. Die is al snel duidelijk: krullende en slingerende monsters, kronkelende half-mensen en figuren die transformeren in erotische en pornografische taferelen, gekruid met scherpzinnige woordspelletjes. Het meest verbluffend uit deze vroege periode zijn ongetwijfeld de gravures, waarin Podolski’s verfijnde lijnenspel en details zich het mooist ontvouwen. Of de experimenten met keramiek van de veertienjarige Podolski hier een plek hadden moeten krijgen, is discutabel. Ze lijken eerder vanuit een biografisch perspectief dan vanuit een artistieke meerwaarde geselecteerd.

Gelukkig wordt de expositie een stuk radicaler in het tweede luik, “Speed als methode”, waarin de kunstenares laat blijken hoe speed haar geliefde muze is. Haar flexibele Rapidograph doet dikke en dunne zwarte lijnen, puntjes en streepjes elkaar in ijltempo opvolgen, verwijzend naar hallucinaties ten gevolge van haar druggebruik. In die periode van 1970-1972 is Podolski’s engagement niet vrijblijvend: kritisch verbeeldt ze de vrouw als “voortplantingsmachine” of voegt ze het artikel “comment devenir un V.I.P” toe aan een collage. De vaak met schizofrenie worstelende kunstenares bestempelt zichzelf als “femme noire”, haar handen en armen in een zelfportret groot en vragend uitgestrekt. In de verte horen we zielsverwant Jotie ‘t Hooft stilletjes zijn Junkieverdriet mee huilen.

Het bittere cynisme en de vlijmscherpe zwar(t)e ondertoon van de collages en pentekeningen, steken fel af tegen de vale kleurpotloodtekeningen uit diezelfde periode. De fantasie van Podolski is duidelijk minder ongeremd in kleur dan in zwart-wit. Helaas geldt dat contrast ook voor de scenografie: de steriele, bleke muren en felwitte tl-lampen van WIELS voelen te sereen voor de visuele en tekstuele uitbarstingen op papier; de benadering oogt te psychoanalytisch.

In de derde zaal staat het manuscript van Le pays où tout est permis (1972) centraal. De originele pagina’s, vol zinnen druipend van drugs, seks en rock-'n-roll, werden door kunstenares Joëlle De La Casinière zorgvuldig geselecteerd. Van De La Casinière zien we ook een projectie met foto’s en videofragmenten die het leven capteert van de kunstenaars uit de Brusselse jaren zeventig die zich verenigden in het Montfaucon Research Center, waaronder De La Casinière en Podolski. De als verdoofd klinkende stem van de kunstenares begeleidt de projectie en stuwt de expositie zachtjes voort.

Ondanks al die fantastische visuele en tekstuele uitspattingen voelt de tentoonstelling een beetje als de dwangbuis waar Podolski tegen wil en dank wordt ingesloten. De onstuimige inkttekeningen vormen absoluut een lust voor het oog. Maar zelf kruipen we liever in de originele uitgave van Podolski’s cultboek om te genieten van Podolski’s innerlijke “Sturm und Drang”.

De expo Sophie Podolski. Le pays où tout est permisloopt nog tot 1 april 2018 in WIELS, Brussel.

E-mailadres Afdrukken