Nikolaj Gogol

Dode zielen

Andreas Delanoye - 10 augustus 2011

Dode zielen is een van die uitstekende avonturenromans die de eeuwen zullen overleven. Gogols eigenzinnige stijl en choquerend realisme moeten in het begin-negentiende eeuwse Rusland ingeslagen hebben als een bom. Vandaag dankt de roman hieraan nog steeds zijn uiterst vermakelijke leeservaring.

Nikolaj Gogol werd in de eerste helft van de 19e eeuw gezien als Ruslands grootste schrijver, met de gestorven Poesjkin als voorganger, nog voor de doorbraak van Dostojevski, Tolstoj en Toergenjev. Het was overigens deze laatste die zei: “We komen allemaal van onder de mantel van Gogol”, verwijzend naar diens fenomenale kortverhaal De mantel. Dit verhaal is in feite het enige met het niveau van zijn meesterwerk dat Gogol na Dode zielen nog voltooide. Wat volgt is enkel ellende, beginnend met allerlei (ingebeelde) kwalen, godsdienstwaanzin en uiteindelijk een treurig einde.

Wat we nu verstaan onder Dode zielen is in feite een eerste deel van wat een groot epos in drie delen moest worden. De schrijver zou verschillende vervolgen aan het vuur hebben prijsgegeven, maar we weten natuurlijk niet wat hiervan waar is. In elk geval zijn de later boven water gekomen fragmenten (met onder andere een levensbeschrijving van de held) veel minder interessant dan het afgeronde eerste deel. Hierin komt de gewiekste oplichter Tsjitsjikov aan in een provinciaal stadje, en hij gebruikt er al zijn charmes om de plaatselijke notabelen in te palmen. Hierop reist de held naar een paar landeigenaren, telkens kleurrijk geportretteerd, om dode zielen -- de papieren van gestorven lijfeigenen -- op te kopen om er zogezegd een landgoed mee te bevolken. Dit kan hij dan als onderpand gebruiken om geld te krijgen. Als Tsjitsjikov terug aankomt in de stad vragen diegenen die hem eerst welwillend waren zich af wie die man eigenlijk is. Zonder veel grond nemen ze aan dat hij een schurk is en moet Tsjitsjikov de stad verlaten.

Het vergaren van ‘dode zielen’ is een ideaal motief voor een schelmenroman. De portretten die Gogol tekent en de manier waarop hij maatschappelijke misstanden aan de kaak stelt, zijn weergaloos. Een reeks schilderachtige personages wordt aangevuld met vele bijfiguren die slechts eenmaal glansrijk opduiken en enkel in het hoofd van de lezer verder leven. Gogol heeft er een handje van weg de eigenaardigheden van zijn personages breed uit te smeren. Het groteske is dan ook een belangrijk stijlkenmerk. Met zijn soms volstrekt absurde oplossingen voor een bepaalde situatie ontstaat iets heel grappigs. Het ontbreken van een echte plot, zoals ook in bekende verhalen als De neus of De mantel, zorgt voor een rechtstreeksere impact van het verhaal op de lezer, graag aangevuld met een platitude zoals dat er ‘in elk van ons een Tsjitsjikov schuilt’.

Van dit boek met de status van een klassieker zijn twee vertalingen te krijgen. De eerste werd gemaakt door Charles B. Timmer, bekend van zijn samenwerking met van Oorschot bij het starten van de Russische bibliotheek. De meer recente en betere vertaling is van Arthur Langeveld, die in 2006 de Martinus Nijhoffprijs won en zich het jaar daarvoor liet opmerken door een grootse nieuwe vertaling van De broers Karamazov. Het is deze vertaling en ook het boeiende nawoord van Langeveld die zijn gebruikt in de nieuwe uitgave van uitgeverij Athenaeum.

In Gogols meesterwerk worden op ironische wijze ondeugden gehekeld en vindt men evengoed een stuk weerspiegeling van de Russische werkelijkheid, maar het is de superieure humor waaraan elke lezer zijn hart zal ophalen.

E-mailadres Afdrukken