Banner

Vicki Baum

Grand Hotel

7.5
Jurgen Boel - 21 maart 2019

Ooit hadden hotels nog allure: grote sterren en dames en heren van adel hadden er hun vaste verblijfplaats en wisten te schitteren in de balzalen, terwijl piccolo`s, portiers en receptionisten als knipmessen bogen en elke subtiele wenk meteen begrepen. Deze inkijk op de biotoop van de rijken en bekenden vormde een dankbaar onderwerp voor romans en films, waaronder het in 1929 gepubliceerde Menschen im Hotel van Vicki Baum, dat al in 1932 zou worden verfilmd als Grand Hotel, met onder meer Greta Garbo en John Barrymore in de hoofdrol.

alt

Hedwige “Vicki” Baum (January 24, 1888 – August 29, 1960), was een Oostenrijks-Joodse auteur die een opmerkelijk leven leidde. Aanvankelijk werkte ze als klassiek geschoolde muzikante (harp), maar in de late jaren tien/vroege jaren twintig besloot ze het als journalist en schrijver te maken. Op dat ogenblik was ze voor een tweede keer getrouwd, ditmaal met een jeugdvriend, en had ze twee zonen gebaard. Tussen de geboortes van beide zonen in publiceerde ze haar eerste roman, Frühe Schatten: Die Geschichte einer Kindheit (1919), waarna elk jaar een nieuwe volgde. In 1928 volgde haar eerste grote succes met haar negende roman, Stud. chem. Helene Willfüer, waarna een jaar later haar bekendste werk volgde. In tussentijd was Baum als een van weinige vrouwen ook met bokstraining gestart, waarvan ze zelf beweerde dat het haar in belangrijke mate discipline had bijgebracht.

Bij een eerste, oppervlakkige lezing lijkt dit opmerkelijke leven zich niet vertaald te hebben in Grand Hotel, een roman die aanvankelijk als feuilleton verscheen in de Berliner Illustrirte (met een oplage van bijna twee miljoen), en bijwijlen zo clichématig en zelfs zeemzoeterig leest dat het een wonder mag heten dat hij zo succesvol bleef. Maar wie verder kijkt, merkt hoezeer Baum doelbewust met conventies speelt en subtiel een ironische toets doorheen haar tragedie weeft. Naar eigen zeggen wou ze zo clichématig mogelijke personages in een klassieke setting weergeven, maar hen tezelfdertijd zo schetsen dat ze als mensen van vlees en bloed naar voor zouden komen. Zelf beweert ze ook het gevoel gehad te hebben dat haar roman omwille van de clichés zo succesvol werd, ook als toneelstuk en verfilming. Daarbij lijkt ze zelf voorbij te gaan aan het feit dat ze de gemeenplaatsen weliswaar niet mijdt, maar dat de sterkte van haar verhaal ligt in een onderliggende universaliteit die allesbehalve banaal is, maar net wel menselijk.

Centraal in de roman staan verschillende personages wiens levens op de een of andere manier met elkaar verstrengeld raken, terwijl ze allemaal zo verschillend zijn. Vooreerst is er de aan morfine verslaafde dr. Otternschlag, die gehavend uit de eerste wereldoorlog kwam.. Al tien jaar lang brengt hij elk jaar enkele maanden door in het hotel, waarbij hij steevast meermaals per dag vraagt of er nog post voor hem is (het antwoord is altijd nee) en verder vooral het hele leven mistroostig en lusteloos bekijkt. Zijn antipode is ongetwijfeld de flamboyante levensgenieter baron Gaigern die door iedereen op handen wordt gedragen en alleen door portier Senf, die elk ogenblik vader kan worden, met enig wantrouwen wordt bekeken.

Senf is overigens maar een van de vele nevenpersonages, maar als enige lijkt hij wel de waarheid achter de aan lager wal geraakte Gaigern te vermoeden. Die laatste zit immers al lang aan de grond en leeft een vrolijk bestaan als oplichter met een, daar flikkert een van de clichés op, gouden hart. Ook zijn voornaamste bron van interesse, de ouder wordende en ooit wereldberoemde ballerina Groezinskaja, is een bron van herkenning en vermaak in de manier waarop ze haar diva-allures en vastklampen aan een vergane glorie tentoonspreidt. De wereld is verder gegaan, alleen zij en haar entourage lijken het niet te willen zien. Van nog een heel andere orde is de brave, kleinstedelijke burgerman Kringelein, die pas met de dood voor ogen eindelijk besloten heeft te leven en zijn spaargeld erdoor wil jagen, want voor zijn vrekkige vrouw heeft hij geen cent of goed woord over.

De laatste (grote) hond in het kegelspel is president-directeur Preysing, hoofd van de fabriek waarvoor Kringelein werkt, al weet iedereen dat Preysing zich via een huwelijk met de dochter van de vorige fabrieksdirecteur annex eigenaar, heeft weten omhoog werken. Preysing zit bovendien in slechte papieren aangezien twee verschillende partijen zich weliswaar met de fabriek willen verbinden, maar slechts op voorwaarde dat de andere partij zich engageert. En voor de kleinstedelijke, pompeuze Preysing is dat een spel dat, tot genoegen van zijn schoonvader overigens, ver zijn petje te boven gaat. Wanneer hij zich bovendien inlaat met een jonge secretaresse die bijklust als maîtresse, verwordt hij al even hard tot een wandelend cliché met als kers op de taart dat hij zowat het enige personage is waarvoor Baum, en bij uitbreiding de lezer, weinig sympathie voor voelt.

Het is een bont allegaartje van mislukkelingen, has-beens, en sympathieke sukkelaars die Baum schetst, waarbij zowat elke uitvergroting aan de personages kleeft alsof ze levende karikaturen zijn. Maar telkens wanneer het net te veel dreigt te worden, haalt Baum enkele fijne tinten boven om haar personages bij te kleuren en menselijk te maken. Zo is Gaigern een oplichter pur sang die leeft voor de kick, maar toont hij zich maar al te menselijk tegenover Groezinskaja en Kringelein, die zich beiden overigens ook maar al te zeer bewust zijn van hun eigen sterfelijkheid Zelfs de cynische Otternschlag toont zich een mens wanneer hij zich over de doodzieke Kringelein bekommert en vergee(f)t dat die laatste hem al snel voor de flamboyante Gaigern inruilde in een poging het echte leven op de drempel van de dood te proeven. Finaal valt er zelfs enig medelijden te bespeuren met Preysing, de snoever die alle onheil over zichzelf afroept en onbewust/onbedoeld alle levens met elkaar verbindt.

Het hotel, de personages, de intriges: uit alles spreekt een driestuiverroman die de gemeenplaatsen en overdrijvingen niet schuwt. Dat de roman desondanks na negentig jaar nog steeds tot de verbeelding spreekt en zich niet laat afremmen door tijdsgebonden elementen, al dan niet bewust door Baum in het verhaal gesmokkeld, onderstrepen de kracht van het verhaal en in het bijzonder het talent van de auteur. Ietwat onterecht werd (en wordt) Baums werk als triviale literatuur afgedaan, want hoewel Grand Hotel als verhaal inderdaad de clichés omarmt, is de manier waarop dat gebeurt even belangrijk. De mild ironische toets in Baums roman onderstreept het universeel-menselijke dat literatuur net literatuur maakt.

E-mailadres Afdrukken