Banner

Fik Meijer

De sluier van Cicero

7.0
Jurgen Boel - 13 september 2018

De Antwerpse politicus Bart De Wever had er lang een handje van weg om te pas en te onpas enkele Latijnse spreuken rond te strooien en zo zijn eruditie en gedegen scholing te tonen. Dat hij daarbij zijn klassiekers kent, bewees hij in 2017 toen hij na een rondje modderworstelen met Tom Meeuws, een bezoekje aan Het Fornuis en een daaropvolgende tegenvallende peiling op twitter Cicero citeerde (zonder bronvermelding overigens): “Accipere quam facere praestat iniuriam" (Het is beter onrecht te ondergaan dan te begaan) om zichzelf boven het gewoel te plaatsen.

Voor de Nederlandse classicus Fik Meijer getuigt dergelijk pronken met Latijnse citaten echter van een vermoeiende pedanterie of zoals hij zelf schrijft: “U heeft ze vast al eens ontmoet: zelfverklaarde intellectuelen die strooien met Latijnse citaten en hopen daarmee indruk op hun toehoorders te maken. (…) Voor de meeste aandachttrekkers volstaat een klein podium. (…) Voor een enkeling is alleen het hoogste podium goed genoeg.” Meijer heeft het hierbij niet over De Wever maar over de (extreem)rechtse Thierry Baudet (Forum voor Democratie) die op 28 maart 2017 in de Nederlandse Tweede Kamer (te vergelijken met de Kamer van Volksvertegenwoordigers, vaak vereenzelvigd met het parlement) het nodig vond een bekend citaat van Cicero te herinterpreteren naar de hedendaagse situatie zonder hem evenwel te vermelden en daarbij ook nog eens enkele foute vervoegingen te hanteren.

Het hele gebeuren leverde vooral binnen de kringen van classici de nodige hilariteit en kritiek op, maar was finaal niet meer dan de zoveelste storm in een glas water. Ook Meijer beseft dat maar al te goed, want hij neemt het hele gebeuren als niet meer dan een aanleiding om de ontstaansgeschiedenis van het originele citaat “Quousque tandem abutere, Catilina patientia nostra?” (Hoe lang nog, Catilina, zul jij ons geduld nog op de proef stellen?), waarmee Cicero in één enkele zin zijn tegenstander Catilina schaak zette en diens reputatie voorgoed verwoestte, te bekijken. In politieke middens, in het bijzonder in de VS, kent de spreuk een lang leven waarbij zowel democraten als republikeinen ze wel eens op het juiste moment van stal haalden om subtiel een tegenstander ervan te betichten het gezag omver te werpen.

De Catilina in kwestie heette voluit Lucius Sergius Catilina en stamde uit een oud Romeins geslacht dat langzaam aan invloed verloor. Catilina was in 69 v.C. praetor geweest en dong in 64 v.C. (voor de tweede maal) mee naar het hoogste ambt, dat van consul. Onder zijn zeven mededingers voor de twee consulposities golden Gaius Antonius Hybrida en Marcus Tullius Cicero als de meest geduchte tegenstanders, beiden zouden ook benoemd worden. Voor Cicero stond er veel op het spel, als “homo novus” (nieuwe man, iemand die geen voorouder had die als senator had gediend), die bovendien niet in Rome was geboren, vertrok hij sowieso vanuit een lagere positie, terwijl Catilina's Romeinse stamboom niet alleen terug ging tot Sergetus, een metgezel van de Trojaanse Aenas, mythische stamvader van de Romeinen (alle grote Romeinse families beroemden zich op mythische voorouders), maar ook echte voorvaderen telde die een belangrijke rol hadden gespeeld in de geschiedenis en het ontstaan van Rome en de republiek.

Geen wonder dus dat Cicero zijn pijlen richtte op Catilina en in zijn Eerste Catalinarische Rede (Cicero zou de vier door hem gevoerde redevoeringen in 64 v.C. publiceren als In Catilinam, Tegen Catilina) de befaamde openingszin sprak waarna hij Catilina van zowat elke mogelijke misdaad betichtte, inclusief incest, moord op aristocraten en bovenal geslachtsgemeenschap met een Vestaalse maagd, wat neerkwam op blasfemie en het oproepen van onheil over Rome. Hoewel elkaar verdacht maken en beschuldigen dagelijkse kost waren in de senaat, golden de beschuldigingen van Cicero als heel ernstig. Het feit dat Catilina in 66 v.C. ondanks een aanklacht dat hij als propraetor en bestuurder de provincie Africa uitgebuit zou hebben, zich toen toch een eerste maal kandidaat kon stellen als consul, laat vermoeden dat alvast de zwaardere beschuldigingen door Cicero en zijn omgeving verzonnen zijn. Dat Cicero zelf overwoog om Catilina in 65 v.C. te verdedigen en samen met hem het consulschap, kan evenmin onvermeld blijven.

Toch had Cicero met zijn redevoering(en) een snaar geraakt, in het bijzonder door te insinueren dat Catilina op de hand van de kleine man en armen zat en een schuldendelging voorstond. Rome werd immers geplaagd door een financiële crisis die de lagere klassen met grote schulden bij de rijke senatoren had opgezadeld waarbij bovendien geïnsinueerd werd dat Catilina zelf in grote geldnood verkeerde. Elke senator die zich kiesbaar stelde voor een ambt gaf immers gigantische sommen uit die hij met het halen van een mandaat hoopte te derven. Na zijn verlies lieten medestanders als Julius Caesar en Crassus, net als de meeste andere senatoren, Catilina vallen. Verbitterd door dit verraad en het feit dat een nieuwe man hem verslagen had, trok Catilina na nieuwe beschuldigingen als zou hij een coup willen plegen, weg uit Rome. Zijn gedrag en handelingen leken te insinueren dat hij de macht wenste te grijpen waarna onder Cicero's gezag Catalina's vertrouwelingen in Rome tot de dood veroordeeld werden. Catalina zelf werd niet veel later met zijn kleine groep getrouwen verslagen door Romeinse troepen. Cicero had gewonnen en Catalina's reputatie was voorgoed besmeurd.

De belangrijkste bron voor deze gebeurtenissen zijn naast de subjectieve redevoeringen van Cicero, een verslag van tijdgenoot en oud-senator Sallustius wiens Samenzwering van Catilina meteen al duidelijk maakt op welke hand hij zit. In de daarop volgende eeuwen zou Catilina's naam mede hierdoor voornamelijk verbonden blijven met negatieve eigenschappen maar, zo betoogt Meijer, dat was niet altijd en overal het geval. Door uitgebreid stil te staan bij het gebeuren en de nodige vraagtekens te plaatsen bij de overlevering, gaat hij op zoek naar de positieve en negatieve visie op Catilina's daden. Zo zal hij in het renaissancistische Italië geregeld als een voorvechter van de vrijheid en tegen de elite beschouwd worden, een beeld dat later in heel Europa ingang zal vinden waar Catalina-vergelijkingen zowel positief als negatief uitvallen. In de VS, in het bijzonder bij de Founding Fathers die hoog opliepen met de Romeinse republiek, vervalt Catilina echter in zijn oude rol van schurk. Het zou republikein Ted Cruz in 2014 ertoe verleiden Barack Obama met Catilina te vergelijken, wat Cruz uiteindelijk zuur opbrak.

Hoewel Meijer zich in zijn laatste overschouwende conclusies, en in het bijzonder bij Trump, laat verleiden tot het trekken van parallellen tussen het oude Rome en de VS, is hij er zich ook van bewust dat elke vergelijking sowieso artificieel en vergezocht is. Hij wijst er dan ook op dat de meeste pogingen om Trump met deze of gene keizer (in het bijzonder Caligula en Nero) te vergelijken, gebaseerd zijn op oppervlakkige gronden. Bovendien zijn de ware gebeurtenissen en de persoon Catilina slechts overgeleverd door de geschriften van een persoon (twee als Sallustius meegerekend wordt) die er alle belang bij had zijn tegenstander zo negatief mogelijk af te schilderen en daarbij “fake news” niet schuwde. Meijer wijst er dan ook terecht op dat elke vergelijking met pakweg het oude Rome bij voorbaat gekleurd en inaccuraat is. Wie zich dus met Latijnse spreuken een autoriteit aanmeet, geeft dan ook altijd vooral een eigen subjectieve kijk op de geschiedenis weer, met (eigen)belangen die in het hier en nu liggen.

E-mailadres Afdrukken