Banner

Barbara Tuchmann

De waanzinnige veertiende eeuw

7.0
Jurgen Boel - 06 september 2018

Tot de bij het grote publiek bekendste werken over de middeleeuwen behoort het ene toe aan de eerbiedwaardig professor geschiedenis Johan Huizinga, het andere aan historica-journaliste Barbara Tuchmann. Opvallend daarbij is niet alleen dat beiden doorheen hun carrière over verschillende tijdstippen en thema`s schreven, maar dat ze zich allebei richtten op de late middeleeuwen en daarbij gretig gebruik maakten van kronieken. Het zou voor beide boeken een van de belangrijkste kritieken blijven.

Niet dat het een van beide schaadde: Huizinga wordt terecht beschouwd als een grondlegger van de moderne cultuurgeschiedenis, terwijl Tuchmanns De waanzinnige veertiende eeuw (A Distant Mirror: The Calamitous 14th Century) ondanks alle beperkingen nog steeds een boeiend inzicht geeft in de verstandhouding tussen Frankrijk en Engeland ten tijde van de Honderdjarige Oorlog. Die duurde, zoals elke geschiedenisleraar weet, niet letterlijk honderd jaar, maar vat de oorlogsperiode (1337-1453) samen tussen het Huis Valois en het Huis Plantagenet (Anjou), om de vacant geworden Franse troon na het uitsterven van het Huis Capet, die gedurende vier eeuwen de troon bezet had gehouden.

Bij het schrijven van haar boek baseerde Tuchmann zich in de eerste plaats op de Kroniek van Froissart (1370-1400), dat uitvoerig over (de eerste zestig jaar van) de oorlog berichtte en door auteur Jean Froissart bedoeld was om de deugden van de ridderlijkheid in de verf te zetten en zijn lezers ertoe aan te zetten eenzelfde gedrag te vertonen. Uiteraard schreef Froissart zijn verschillende delen in opdracht van, waardoor enige subjectiviteit steeds aanwezig was, maar doordat hij zich zowel op oudere kronieken als op getuigenverslagen baseerde en daarbij de anekdotiek niet schuwde, bleef zijn werk ook in de eeuwen na zijn dood een van de belangrijkste tijdsdocumenten over de Honderdjarige Oorlog en het leven van de aristocratie.

Een van de broodheren van Froissart was Enguerrand VII de Coucy (1340-1397), die als schoonzoon van koning Edward III van Engeland en vazal van de koning van Frankrijk een getuige van en deelnemer aan de oorlogen was. Vanwege zijn rol in de eerste helft van de oorlog neemt Tuchmann hem als de rode draad doorheen haar werk, hoewel zoveel andere spelers zo vaak aan bod komen dat de Coucy in meer dan één hoofdstuk veroordeeld lijkt tot een rol aan de zijlijn. Tuchmann lijkt dit zelf ook ten dele te erkennen. Zo is het immers belangrijk het tijdperk te schetsen waarin de Couchy geboren werd: een periode waarin de pest rondwaarde (de eerste grote uitbraak was in 1347), het opnieuw gevoelig kouder werd en de bevolking, die in de eeuw ervoor exponentieel toegenomen was, door hongersnoden geplaagd werd. Het ideaal van de hoofse ridderlijkheid bestond voornamelijk op papier, terwijl ook de clerus zich geregeld te buiten ging aan schandelijk gedrag en allesbehalve een christelijke levenswandel volgde.

De veertiende eeuw was onder een slecht gesternte gestart en zou tijdens de tweede helft, met de start van de Honderdjarige Oorlog, nog verder in de waanzin gestort worden. Zo zakte de Kerk verder weg in misbruik en onderlinge onenigheid met als dieptepunt het Westers schisma (1378-1417), waarbij Avignon als zetel van zowel pausen en tegenpausen gold, terwijl het gewone volk, vooral stedelingen die aan macht wonnen, langzamerhand genoeg kreeg van de voortdurende uitbuiting door de twee eerste standen (adel en clerus) met verschillende neergeslagen volksopstanden tot gevolg (onder andere de jacquerie in 1358 en de slag bij Westrozebeke in 1382). Het land werd ook nog eens geplaagd door opstandige leenheren en rondtrekkende rovers en huurlingen die tijdens tijdelijke wapenstilstanden vooral de arme bevolking het leven verder zuur maakten. Wanneer in 1492 de Franse koning Karel VI krankzinnig wordt, ontstaat tussen zijn ooms tot slot een bitsige strijd om de ware macht van de troon die uiteindelijk in een burgeroorlog uitmondt.

Als latere rechterhand van de (Franse) koning raakte de Coucy bij verschillende van deze gebeurtenissen betrokken en toont hij zich als een volleerd diplomaat die in een door familievetes en (burger)oorlogen geteisterd land steeds de juiste kant weet te kiezen en zo opklimt op de sociale ladder. Bovendien lijkt hij te beschikken over een goed krijgsvermogen, waardoor zijn strijdinzicht meer dan eens een belangrijke of zelfs beslissende rol speelt in veldslagen. Anderzijds gebeurt het ook geregeld dat hij zich (noodgedwongen?) laat leiden door zijn meer door ambitie dan inzicht gezegende gelijken (het ridderideaal van moed in de strijd was evenzeer een zegen als een vloek). Dat laatste zou na een verpletterende nederlaag tegen het Ottomaanse Rijk, tijdens de slag van Nicopolis (1396), ook zijn persoonlijke nederlaag worden, wanneer hij een jaar later in gevangenschap sterft. Met de dood van de Coucy sluit ook Tuchmann haar verhaal af, al behandelt ze in een epiloog nog het verdere verloop van de oorlog.

Behoudens de mogelijke historische onnauwkeurigheid, al geldt dat altijd, is het grote struikelpunt van De waanzinnige veertiende eeuw dat Tuchmann te veel wil vertellen (ongetwijfeld beïnvloed door Froissart) en zich soms te veel in anekdotiek verliest. Hierdoor komt het boek na de eerste honderd pagina`s zwaarder op de hand te liggen. De vlotte schrijf- en verhaalstijl van Tuchmann zorgen, samen met de keuze voor de Coucy als ijkpunt, weliswaar voor een aangename leeservaring. Maar in wat al een kloeke zeshonderdplus pagina`s is, gunt Tuchmann de lezer nauwelijks een adempauze. Het is zowat de enige echt relevante kritiek op De waanzinnige veertiende eeuw, want ook al werd het boek bij zijn eerste verschijnen wel eens verweten onvoldoende academisch en te tijdsgebonden te zijn, is het maar de vraag in hoeverre dat Tuchmanns primaire doelstellingen waren, in plaats van het schrijven van een boeiende, persoonlijkere kijk op de veertiende eeuw. Want in dat laatste is ze alvast meer dan geslaagd.

E-mailadres Afdrukken