Banner

Sei Shōnagon

Het hoofdkussenboek

8.0
Jurgen Boel - foto's: Kunisada - 30 augustus 2018

Dagboeken en persoonlijk neergeschreven bedenkingen zijn van alle tijden. In het westen behoort het tweede-eeuwse Meditaties (oorspronkelijk Τὰ εἰς ἑαυτόν, Ta Es Heauton), de privé-overpeinzingen van keizer-filosoof Marcus Aurelius, tot de filosofische en literaire canon. In Japan kent Het hoofdkussenboek (枕草子, Makura no Soshi) van de elfde-eeuwse Sei Shōnagon (清少納言) eenzelfde status als literaire klassieker en doet het qua bekendheid nauwelijks onder voor de (internationaal gerenommeerde) roman Het verhaal van prins Genji (源氏物語, Genji Monogatari) van tijdgenote en rivale Murasaki Shikibu (紫 式部).

Net als Aurelius schreef Sei in de eerste plaats voor zichzelf, hoewel zij geen filosofische aspiraties had, maar veeleer over triviale feiten en alledaagse gebeurtenissen schrijft die ze als hofdame van keizerin Fujiwara no Teishi (藤原 定子), een van de vrouwen van keizer Ichijō (一条天皇), beleeft. Gedurende acht jaar zal Sei aan het hof verblijven, tot na de dood van keizerin Teishi in het kraambed. Over het leven dat ze erna leidde, valt weinig met zekerheid te vertellen. Een van de redenen hiervoor is dat alle hofdames gekend zijn onder een bijnaam die vaak gebaseerd was op hun Japanse naam en hun afkomst. Zo is “Sei” de Sino-Japanse uitspraak voor het eerste karakter van haar achternaam (清原氏, Kiyohira), terwijl “Shōnagon” (raadsheer van lagere rang) verwijst naar het beroep van haar vader Kiyohara no Motosuke (清原 元輔) die ook een bekend dichter was .

Sei leefde tijdens de Heian-periode, vernoemd naar de toenmalige hoofdstad Heian-Kyo (平安京, het huidige Kyoto). Het tijdperk waarin niet alleen de Chinese invloed, taoïsme en boeddhisme hoge toppen scheerden, maar ook de kunsten, en in het bijzonder literatuur en poëzie. Invloedrijke families leerden hun dochters dan ook niet alleen lezen en schrijven, maar ook de klassieke Chinese poëzie. Ook Sei was meer dan vertrouwd met deze canon zoals uit haar dagboek blijkt. Zo wordt meer dan eens verhaald hoe zijzelf, een van haar gesprekspartners of een andere dienaar aan het hof zich bediende van bepaalde dichtregels wanneer deze op een situatie van toepassing was. Het citeren van toepasselijke dichtregels onderstreepte niet alleen de eruditie van de spreker maar ook diens spitsvondigheid. Zoals uit een enkele passage blijkt, kon een verkeerd geciteerde passage een reputatie dan ook ernstig schaden.

Via het dagboek komt de lezer niet alleen meer te weten over de formele omgang aan het hof, maar krijgt hij ook een interessante inkijk in het privéleven van de hovelingen. Daarbij is het opmerkelijk dat in de sterk patriarchaal gerichte maatschappij, waar huwelijken gebaseerd op het verwerven van status, macht en invloed, nog sneller ontbonden konden worden dan ze gesloten werden en (getrouwde) vrouwen zich verschillende avontuurtjes konden veroorloven. In meer dan één fragment laat Sei zich uit over de etiquette van het flirtgedrag aan het hof, en over hoeveel plezier de dames beleven aan de nachtelijke bezoekjes van mannelijke gezellen. Net als overal werd er druk geroddeld over wie het met wie aanlegde en waar ongenoegen en ruzies waren.

Naast de dagdagelijkse beslommeringen en roddels, komen ook belangrijkere gebeurtenissen aan bod waarbij het hof religieuze feesten en dagen bijwoont. Dat weerhoudt Sei er echter niet van geregeld kritisch tegenover de priesterkaste te staan en misbruiken aan te kaarten. Ook eigen mijmeringen en lijstjes duiken geregeld op, waarin ze plekken en gebeurtenissen, maar ook woorden en namen opsomt die haar behagen of net afstoten. Meer nog dan de beschrijvingen, geven net deze lijstjes een inkijk in het hof waar ze verbleef en hoe alles zich tot elkaar lijkt te verhouden. Doordat ze bovendien in de eerste plaats voor zichzelf schreef, kent Het hoofdkussenboek een opvallende openheid.

Uiteraard was Sei zich ervan bewust dat haar boek andere lezers had. Ze mocht dan wel de eeuwigheid niet voor ogen gehad hebben, aan een hof waar literatuur en poëzie ook voor vrouwen een wapen was om zich mee te onderscheiden, zullen minstens enkele getrouwen delen van het werk met haar medeweten onder ogen gekregen hebben. Dat Sei niet de enige met literaire ambities was, maar wel hoog aangeschreven stond, blijkt ook uit het feit dat niemand minder dan Murasaki in haar dagboek neerbuigend opmerkte dat Sei zich wel heel vrijelijk van Chinese karakters bediende. Want waar mannen het Chinese schrift kanji gebruikten, werd van vrouwen officieel verwacht dat ze enkel kana, het Japanse fonetische schrift, beheersten.

Sei Shōnagon was niet de enige aan het hof die een eigen dagboek bijhield (zie ook Murasaki), maar het feit dat haar werk de eeuwen overleefde – de oudste bekendste versie stamt uit de dertiende eeuw – spreekt boekdelen. In de meer dan uitstekende vertaling van Jos Vos komt de stem van Sei Shōnagon opnieuw tot leven en krijgt de moderne lezer inzage in het leven van een hofdame en vertrouwelinge van de Japanse keizerin. De dagelijkse beslommeringen en verlangens van de Japanse elite leest zo herkenbaar dat zelfs de toenmalige cultuurgebonden eigenheden niet meer dan details vormen die de universaliteit van het bestaan net lijken te onderstrepen. Het hoofdkussenboek heeft uiteraard nergens de literaire ambities van Het verhaal van prins Genji, maar het vormt meer dan een aanvulling hierop en mag met recht en rede een van de belangrijkste klassieke Japanse teksten genoemd worden, zelfs al had de auteur hoogstens een klein, bescheiden publiek van klasse- en tijdgenoten voor ogen.

E-mailadres Afdrukken