Banner

Catherine Nixey

Eeuwen van duisternis

6.5
Jurgen Boel - 12 juli 2018

Toen in 2001 de Taliban de eeuwenoude Boeddha`s van Bamyan (Afghanistan) deels vernietigde als valse idolen, was de wereldwijde verontwaardiging groot. Ook de vernietiging van standbeelden en andere kunstschatten in 2017 door IS-aanhangers in onder meer Palmyra (Syrië) stootte vooral op onbegrip en veroordelingen wereldwijd. Maar het was zeker niet de eerste maal dat religieuze fanaten uit waren op vernietiging. Volgens Catherine Nixey was het zelfs een fundamentele eigenschap van het eerste christendom.

Genuanceerd mag Eeuwen van duisternis niet heten, de ondertitel windt er zelfs geen doekjes om, want met De christelijke vernietiging van de klassieke cultuur maakt Nixey meteen haar standpunt duidelijk. Nixey studeerde ‘Klassieke Oudheid’ aan de Cambridge University en haar achtergrond (ze is de dochter van een uitgetreden non en monnik) doet geregeld de vraag rijzen of haar afkeer van het christendom soms hier haar oorsprong vindt. Dat laatste is waarschijnlijk ten dele waar, want hoewel ze opgroeide in een warm gezin kreeg Nixey als kind steeds de boodschap mee dat de eerste christenen zachtmoedig en vreedzaam waren, uitzonderingen binnen een barbaarse wereld.

Dat laatste zal door zowat iedereen die enige notie heeft van de klassieke oudheid en de opkomst van het vroege christendom sowieso genuanceerd worden, maar Nixey lijkt met dit boek elke negatieve uitwasem van het christendom uitvoerig te willen toelichten. In haar pamflettaire aanpak hanteert ze een wat slordige geschiedschrijving, waarbij ze voornamelijk via casussen, gebeurtenissen en overleveringen, geschriften en getuigenissen wenst aan te tonen hoezeer het beeld van de milde christen in schril contrast staat tot de feiten en gebeurtenissen. Het grote probleem hierbij is echter dat Nixey wel heel vlotjes omspringt met haar bronnenmateriaal en daarbij vooral die elementen overneemt die in haar betoog passen, dan wel haar interpretaties zo bijstelt dat haar basispremisse overeind blijft.

Uiteraard hoort de nuancering of bijstelling door Nixey tot een bredere geschiedschrijving, maar zoals ook haar bronnenapparaat aantoont, is ze zeker niet de eerste auteur die enkele pertinente vraagtekens plaatst bij de opkomst van het christendom. Toch is het opvallend dat ze vooral die auteurs aanhaalt die even polemisch lijken te denken als zij. Die weinig genuanceerde visie valt voornamelijk op wanneer Nixey onder meer woestijnvaders (de eerste `monniken` en kluizenaars die zich in de woestijn en grotten ophielden) en bisschoppen citeert die in hun geschriften sterk van leer trekken tegen zowat alles en iedereen, inclusief andere christenen. Voor Nixey lijken deze vertegenwoordigers almachtig (terwijl ze erkent dat er wel degelijk `machtsstrijden` plaatsvonden tussen de christelijke gemeenschappen) en representatief, terwijl ze bij het citeren van niet-christelijke auteurs en machtsfiguren steevast een nuancering en zelfs milde blik hanteert.

Wie Nixey volgt, zou haast besluiten dat het niet-monotheïstische Romeinse rijk een tolerante vrijhaven is in vergelijking met het onderdrukkende, opkomende christendom. Het is een these die weinig steek houdt en volledig voorbijgaat aan hoe machthebbers zich steevast bediend hebben van ideologieën en overtuigingen om zichzelf van de macht te verzekeren en ontevredenen aan zich te binden. In die zin is het opvallend dat Nixey, ondanks haar beschrijvingen, onvoldoende lijkt te erkennen dat onder meer de Alexandrijnse bisschop Cyrillus net dankbaar gebruik maakte van het feit dat zijn belangrijkste `monniken` uit de onderbuik van de maatschappij kwamen. Zo wilde hij meer macht verwerven en zijn `religieuze rivalen` onder druk zetten of uitschakelen. Voor Nixey lijkt het alsof alleen christenen zich aan dergelijk fundamentalisme en cynische machtspolitiek bezondigden.

Dat tussen de eerste christenen tal van obscurantisten en vijanden van andersdenkenden rondliepen, staat buiten kijf. Toch gaat Nixey bij het aanhalen van Augustinus als een van hen voorbij aan het feit dat ook verschillende filosofische en andere religieuze scholen streden om meer `zielen` en macht en dat het er daarbij niet altijd even zachtzinnig aan toe ging. Wie kwaadaardig is, zou bovendien kunnen opmerken dat Nixey zich voornamelijk beperkt tot Noord-Afrika en het Midden Oosten en dat haar these net zo goed kan worden geïnterpreteerd als dat net deze gebieden en haar inwoners vatbaar zijn voor rigide fundamentalisme. Uiteraard is dat onzin, de Beeldenstorm in de lage landen geldt hierbij als een uitstekend tegenargument, maar het legt wel de zwakte van het boek bloot.

Eeuwen van duisternis is met veel bravoure, zin en verontwaardiging geschreven. Het pamflettaire karakter van het werk heeft zijn charmes, maar begint halverwege vermoeiend te worden. Dat Nixey het beeld van peis en vree, gekoppeld aan de eerste christenen wenst bij te stellen, is nobel, maar ze is zeker niet de eerste die kritisch kijkt naar de opkomst van het christendom. Bovendien blijft zij zo hard op dezelfde nagel kloppen dat het storend wordt. Het christendom is als religie ontstaan en gegroeid in een periode waarbij ideeënstromen langzaam maar zeker met elkaar in de clinch gingen in een poging een nieuwe machtsfactor te worden. Zoals steeds werden criminele en stuitende activiteiten daarbij niet geschuwd, maar wie louter die feiten, gebeurtenissen en geschriften aanhaalt die passen binnen een op voorhand gedetermineerd proces, doet de geschiedschrijving geen eer aan.

E-mailadres Afdrukken