Banner

Louis Paul Boon

De Kapellekensbaan

9.0
Jurgen Boel - foto's: Photonews - 31 mei 2018

Viezentist, anarchist, nihilist en Boontje: de meeste roepnamen die Louis Paul Boon tijdens zijn leven verwierf, hangen nauw samen met de publicatie van een van zijn meesterwerken. De Kapellekesbaan of de eerste illegale roman van Boontje, zoals de volledige titel luidt, wordt alomtegenwoordig beschouwd als Boons magnum opus en zou hem, mocht hij niet vroegtijdig overleden zijn, zelfs de Nobelprijs voor de Literatuur kunnen opgeleverd hebben, maar het ontstaan en de ontvangst van het boek is een heel ander verhaal.

alt

Oorspronkelijk bedoeld als klassieke roman, startte Boon in 1943 met Madam Odile -- zoals het boek aanvankelijk heette -- nadat hij een eerste versie van Vergeten Straat had geschreven net voor zijn tweede roman Abel Gholaerts (1944) verscheen. Vergeten Straat zou in 1946 in een gewijzigde versie verschijnen: de toon was harder geworden en Boon koos meer en meer voor een fragmentarisch vertelperspectief in plaats van een overschouwende verteller. In het bekende Mijn Kleine Oorlog (1947) viel nog harder op hoezeer Boon wilde breken met de klassieke romanstructuur en op zoek was naar een nieuwe stem.

Terwijl Boon werkte aan een nieuwe manier van vertellen, bleef Madam Odile aandikken en zag de schrijver zich er evenmin meester over als over de wereld rondom hem. Het noopte hem ertoe wat hij al geschreven had te herwerken en te fragmenteren, waarbij hij zichzelf als schrijver introduceert die in de roman commentaar levert. Een derde lijn in het verhaal werd de herinterpretatie van de Isengrimus- en Reynaert-verhalen die hoogst actueel zijn en waarin Boon zijn desillusie in de maatschappij en de communistische partij, waar hij lang lid van was, van zich afschrijft. De hele roman is opgehangen aan Boons eigen bekentenis dat hij zijn idealen verloren heeft.

De Kapellekensbaan verwijst naar de gelijknamige straat in Erembodegem bij Aalst, vlak bij Ter Muren, een gehucht van het dorp waar hoofdpersonage Ondine woont. Als dochter van een zelfstandig schrijnwerker (en gesjeesde uitvinder) beschouwt ze zichzelf als beter en hoogstaander dan haar arbeidersburen en droomt ze ervan hogerop te klimmen. Ze laat hiervoor geen enkele kans liggen en papt aan met de plaatselijke notabelen, in de hoop zo een beter leven voor zichzelf uit te bouwen. Hoewel haar eerzucht en manipulatie geen grenzen kennen, verblinden ze haar ook voor het feit dat de “Hoge Heren” haar net zo goed gebruiken en geenszins van plan zijn haar ook echt in hun kringen op te nemen. Ondertussen verandert de wereld rondom hen en verschuiven de oude machtsstructuren langzaam maar zeker zonder dat Ondine of de heren er vat op krijgen.

Het verhaal wordt in kleine brokken gebracht, continu onderbroken door de schrijver en diens kompanen die commentaar leveren op het verhaal en de wereld, als een Grieks koor dat de wereld een lachspiegel voorhoudt. Wie het leven van Louis Paul Boon een beetje kent, beseft dat de auteur Boon niet samenvalt met de dromerige Boontje. Of liever niet alleen, want ook in Johan Janssens, dagbladschrijver voor een marxistisch tijdschrift, is Boon maar al te duidelijk te herkennen, terwijl in andere gesprekspartners van Boontje zowel Boon als vrienden van hem terug te vinden zijn. De werelden van Ondine en Boontje zijn als communicerende vaten die elk op hun manier iets trachten te vertellen over een versplinterde wereld.

De derde verhaallijn is die van Isegrimus en Reynaert, een herinterpretatie van de Reynaert-verhalen waarbij Boon zich nu eens vereenzelvigt met de sluwe vos die de hele maatschappij een neus zet en dan weer met Isengrimus, de hebberige wolf die zich altijd voor de kar van anderen laat spannen en steevast aan het kortste eind trekt. Het zijn stukjes die los staan van de rest van de roman, al wordt personage Johan Janssens omschreven als de auteur ervan en was het Boon zelf die ze voor verschillende tijdschriften schreef en herwerkt publiceerde in Wapenbroeders (1955). In de Reynaert-verhalen treedt het meest persoonlijke element naar voor waarin Boon beseft dat hij nog slechts voor de enkeling schrijft, die samen met hem de hypocrisie en desolaatheid van de wereld en de ideologieën wil aantonen.

Was het ontstaan van de roman bewogen, dan geldt dat dubbel voor zijn publicatiegeschiedenis en ontvangst. Boons uitgeefster Angèle Manteau weigerde het boek uit te brengen en tal van uitgeverijen volgden (Boon had weliswaar enige naam als romancier, maar was zeker geen successchrijver), totdat de Arbeiderspers na veel vijven en zessen de roman in een bescheiden oplage uitbracht. Stonden de uitgevers kritisch tegenover de man, dan gold dat nog meer voor de critici die het boek vaak onleesbaar vonden. Wanneer Boons romans in de jaren zestig een nieuw publiek vonden, kreeg De Kapellekensbaan in zwaar verminkte vorm (drastisch ingekort) een tweede succesvol leven. Kort voor Boons dood krijgt het samen met het vervolg Zomer te Ter-Muren (1956) eindelijk (opnieuw) een volledige druk.

Hoewel de roman meer dan zestig jaar oud is en op een aantal vlakken heel tijdsgebonden en autobiografisch is, toont Boon zich een meesterlijke criticus van de post-oorlogse maatschappij en hoe wars van ideologieën een zekere burgerlijkheid blijft primeren. De anti-roman die Boon schreef, is meer dan een vormelijk experiment of een introverte zelfreflectie, het is een roman die het leven beschrijft zoals het is, maar op een manier die ontregelt, uitdaagt en finaal erkent dat het antwoord niet bestaat. De Kapellekesbaan blijft ook binnen Boons oeuvre een uniek werk dat zijn plaats binnen de literatuur stevig verankerd heeft.

E-mailadres Afdrukken