Banner

Jasmin B. Frelih

In/tweeën

6.5
Jurgen Boel - 19 januari 2018

In 2013 debuteerde Jasmin Frelih in Slovenië met Na/Pol dat in eigen land de prijs voor het beste literaire debuut op de Sloveense boekenbeurs ontving en als Sloveense inzending gold voor het European First Novel Festival in Boedapest. Het zijn mooie geloofsbrieven die resulteerden in een schrijversresidentie in Passa Porta (Brussel). Toch kan de roman de hooggespannen verwachtingen niet helemaal invullen.

In/tweeën heeft de vorm van een dystopie, zij het dat Frelih weinig ingaat op het nieuwe systeem. Veel meer dan dat in het jaar 2036 een “Grote Breuk” plaatsvond die een einde maakte aan de “Grote kakofonie”, komt de lezer niet te weten. Er zijn duidelijk nog oorlogsfronten, maar die spelen slechts een minimale rol in het verhaal. Frelih focust liever op drie personages wiens levens met elkaar verbonden zijn, hoewel de lezer hier pas laat in het verhaal meer duidelijkheid rond krijgt. Aanvankelijk geeft In/tweeën afwisselend het woord aan theaterregisseur Evan, die in Edo (Tokio) een prestigieus project dient uit te voeren maar zich vooral verliest in zinloze seks en drugs. Ook voormalig minister van Oorlog en familiepatriarch Kras lijkt geen grip op zijn leven te hebben. Het familiefeest dat hij organiseert, legt pijnlijke ruzies en verschillen bloot, terwijl het langzaam ontspoort.

De enige die ietwat de controle weet te behouden, is dichteres Zoja, wiens werk door een resem kunstenaars, intellectuelen en outsiders verafgood wordt. Wanneer ze eindelijk in het openbaar optreedt, stroomt een zootje ongeregeld van dwarsdenkers, geobsedeerden en verschoppelingen samen in de hoop dat haar verschijning zin zal geven. Maar net als Kras en Evan blijkt ook in de wereld van Zoja niet alles koek en ei te zijn. Je krijgt (al snel) het gevoel dat de drie levens meer met elkaar verbonden zijn dan het oorspronkelijk lijkt en dat een finale confrontatie en potentiële catharsis niet kan uitblijven. Vooraleer het echter zover komt, gooit Frelih er eerst nog een hoofdstuk tegenaan dat schijnbaar losstaat van het voorgaande, vooraleer hij alles op een magisch-realistische maar ook enigszins groteske manier in elkaar laat overvloeien en uiteenspatten.

Dat Frelih enig talent heeft, kan niet ontkend worden. Hij weet treffend een uitvergroting van de maatschappij te maken (niet alleen de “decadente, geprivilegieerde Westerse”) en met enige precisie de pijnpunten van de moderne maatschappij te ontleden (afbrokkelende familiestructuren, relaties en identiteit), inclusief de schijnredmiddelen. Ook de levens van zijn drie hoofdpersonages klinken aanvankelijk geloofwaardig, hoewel hij niet terugschrikt voor clichés: de emotioneel afgestompte succesvolle theaterregisseur die wegvlucht in drugs, de familiepatriarch die zijn familie niet in de hand heeft, de teruggetrokken en ongrijpbare kunstenares … Het zijn beproefde karakters die hij enigszins naar zijn eigen hand zet.

Het grote euvel zit dan ook in de afwerking. Leest het wisselende vertelperspectief aanvankelijk nog prikkelend, dan wordt het opgevoerde trucje steeds duidelijker, waardoor er maar geen degelijke spanningsboog opgebouwd wordt. Bovendien wordt in de laatste hoofdstukken duidelijk dat Frelih eigenlijk zelf niet goed weet hoe hij zijn verhaal moet afronden: hij kiest resoluut voor een vlucht vooruit die tracht alle eindjes aan elkaar te knopen in een diepzinnige reflectie, maar niet verder komt dan zinloos gestamel. Frelih wil met zijn roman niet alleen een scherpe karikatuur van de maatschappij maken, maar wil ook (de start van) een antwoord geven op de in de roman gestelde vragen, waardoor hij te hoog inzet en verliest. Op die manier strandt In/tweeën op de ambities die het niet weet waar te maken.

E-mailadres Afdrukken