Banner

Cees Nooteboom

Paradijs verloren

Frida Dewitte - 25 januari 2012

Een titel als Paradijs verloren kiest men niet zomaar. De Nederlandse éminence grise Cees Nooteboom moet zich daar bewust van zijn geweest toen hij besloot een roman te schrijven met allusies op Miltons wereldberoemde gedicht Paradise lost. Zijn eigenzinnige “visie” op dat standaardwerk uit de wereldliteratuur en zijn inhoud, is een stilistisch meesterwerkje geworden waarin Nooteboom de lezer alweer meeneemt van het ene naar het andere hoekje van de aardbol – én van de menselijke emotionele beleving.

Spel. Als er een woord zou moeten worden gekozen dat het hele oeuvre van Cees Nooteboom kenmerkt, dan misschien het vernuftige spelen met wat literatuur, in al dan niet conventionele vorm, allemaal kan zijn. Ook Paradijs verloren is een oefening waarin heel secuur een web met informatie wordt geweven en waarin de schrijver ook bepaalde puzzelstukken bewust achterhoudt. Van de protagonisten uit dit boek, Alma en Almut, krijgt men immers nooit echt een alomvattend beeld en wat betreft het karakter dat zich ongeveer halverwege komt mengen in het relaas, met name ene Erik Zondag, tast men tot het einde in het duister. Wat dat betreft, schemert Nootebooms belangrijke roman Allerzielen door in Paradijs verloren, waarin eens te meer de fundamentele onkenbaarheid van de mens wordt aangekaart. Het spelen met wat de lezer al dan niet weet, reikt trouwens nog verder. In een bloedstollend mooie, maar bevreemdende proloog, beschrijft Nooteboom een vrouw die op een vliegtuig een boek leest. Net voor het uitstappen kan de ik-figuur de titel ontwarren. “Dit boek.” Een onmogelijkheid, die alleen in de literatuur kan bestaan. En dus schrijft Nooteboom het op – zo een geconstrueerde, paradoxale “tijdslaag” suggererend.

Maar hoe zit het nu met Paradise lost, kortom hoe verhoudt Nootebooms boek zich tot die klassieker? Initieel is er weinig aan de hand en lijkt de auteur, weliswaar in gefragmenteerde, gepoëtiseerde vorm, voor de zoveelste keer een variatie op het verhaal van de onmogelijke liefde te vertellen. Alma en Erik ontmoeten elkaar per toeval in Australië, maar hun treffen is gedoemd een kortstondig en voorbijgaand gegeven te zijn. Weliswaar is de literaire wereld klein en wanneer Zondag drie jaar later een kuuroord in Oostenrijk opzoekt, blijkt Alma daar te werken als masseuse. De extatische Zondag weet zich geen blijf met zijn overkokende gevoelens, maar er kan geen sprake zijn van wederzijdsheid. Ook dàt schijnbaar hervonden liefdesparadijs, “speelt” de figuur finaal dus kwijt. Aan dat tragische gegeven koppelt de auteur, inherent aan de titel bijna, een bespiegeling over het scheppingsverhaal. De mens die geschapen wordt in de nabijheid van een object (de appel) die uiteindelijk zijn ondergang zal inluiden: hoe cynisch kan een God zijn Genesis bedenken? Anderzijds tracht Nooteboom een positieve gedachte aan het “verloren paradijs” te koppelen. Zo is het genot van het leven gedefinieerd bij de passies, en dus ook bij de ontgoochelingen, die men om de zoveel tijd beleeft. Nooteboom rationaliseert deze al te eenvoudige gedachte natuurlijk niet, maar ze schemert impliciet tussen de regels door en het is aan de lezer om het gegeven eruit te pikken.

Verder hanteert Nooteboom het “verloren paradijs”-gegeven als een leidraad doorheen het boek. In korte hoofdstukjes schetst hij het verlangen van Alma en Almut om op te gaan in de ongeschonden, onaangetaste wereld van de Aboriginals, bijvoorbeeld. Ook komt aan bod hoe Alma, tijdens een bezoek aan de buitenwijken van São Paulo, door een groep kwaadwilligen wordt verkracht. Dat is, alweer, een op macroniveau afgespiegelde weergave van de onschuld die elk mens in zijn of haar levensloop verliest, en volgens de christelijke leer, al vanaf de geboorte verloren is. Vraag is of we daar rouwig om moeten zijn, om het beschreven blad dat we aan het einde van een mensenleven zijn. Kan de som van gerealiseerde en niet vervulde aspiraties op zich geen ontroerend gegeven zijn? Zo ver drijft Nooteboom het in Paradijs verloren echter niet. Wat hij toont, is een greep uit drie levens. Mét proloog. Én epiloog. Gestructureerd, en toch ongrijpbaar – in Nootebooms gebruikelijke, bedwelmende taal bovendien. Een triestig boek dat hoop geeft; een zuurstofrijk bad waarin je als lezer toch verdrinkt.

E-mailadres Afdrukken