JFK

9.0
Dennis Van Dessel - 22 november 2013

Zeg maar van Oliver Stone wat je wil – dat hij films maakt met alle subtiliteit en fijngevoeligheid van een hamer op je schedel, dat hij geen gevoel voor humor heeft en regelmatig blijk geeft van een latente homofobie – maar tijdens de jaren tachtig en negentig was hij wel één van weinige openlijk politiek gemotiveerde filmmakers in de VS. Kritische politieke thrillers kenden een korte maar krachtige bloei in de jaren zeventig, met prenten als All the President’s Men, The Parallax View en The Conversation, maar stierven daarna een langzame dood in de jaren tachtig. Het trauma van de Vietnamoorlog en Nixons schandelijke aftreden sleet en het Amerikaanse zelfvertrouwen nam weer toe met het presidentschap van Reagan. In plaats van nog aan zelfkritiek te doen, wezen de Amerikanen weer met het vingertje richting Rusland, met een eindeloze stroom aan Koude Oorlogsfilms als gevolg.

Oliver Stone was één van de weinige uitzonderingen. Geïnspireerd door sociaal bevlogen regisseurs zoals Costa-Gavras (met Z) en Pontecorvo (met The Battle of Algiers), maakte hij kritische films over de Amerikaanse betrokkenheid in Zuid-Amerika (Salvador) en Vietnam (Platoon, Born on the Fourth of July). In 1991 veroorzaakte hij de grootste rel uit zijn carrière toen hij JFK uitbracht, een thriller over de moord op Kennedy in 1963, waarin hij een uitgebreide complottheorie uit de doeken deed. Niet Lee Harvey Oswald, maar de CIA, de FBI, de maffia en een zootje Cubaanse bannelingen zou verantwoordelijk zijn voor de aanslag. De reacties van pers en publiek waren verdeeld: Stone werd voor paranoïde gek versleten, maar net zo goed ging iedereen kijken en ontstond er een maatschappelijk debat rond de moord, dat eigenlijk nooit helemaal is gaan liggen.

Als hoofdpersonage gebruikt Stone Jim Garrison (gespeeld door Kevin Costner als een soort minzaam, rechtschapen James Stewart-figuur), de openbaar aanklager van New Orleans, die circa 1965 zijn eigen onderzoek naar de moord begint en al snel op bizarre feiten stoot: Oswald zou contact hebben gehad met een rijke zakenman met CIA-connecties (gespeeld door een gluiperige Tommy Lee Jones) en betrokken zijn geweest bij de activiteiten van anti-Castro Cubanen die vanuit de VS een nieuwe invasie van Cuba planden. Garrisons uiteindelijke conclusie komt er op neer dat Kennedy te vredelievend was voor de oorlogshaviken binnen en buiten het Witte Huis, en dat dit hem het leven heeft gekost. Oswald was slechts een pion in het spel.

Het historische revisionisme van JFK was destijds zeker controversieel, maar speelde ook in op een soort onderhuids gevoel waar veel Amerikanen mee leefden: de vage, nauwelijks vast te pinnen overtuiging dat er iets niet klopte aan de officiële versie van de feiten. Er hangt een vreemde mythologie vast aan de moord: het rookwolkje op de beruchte grassy knoll vóór Kennedy, waar een tweede schutter zou hebben gestaan. De Zapruderfilm, een amateuropname van de moord, gemaakt door toeschouwer Abraham Zapruder, die toont dat Kennedy’s lichaam naar achter werd gegooid door de impact van de kogel (en hoe kan dat als hij van achter werd neergeschoten?). De magic bullet theorie, die moet bewijzen dat er maar één schutter was door aan te tonen dat een kogel perfect een paar bochten doorheen twee menselijke lichamen kan maken… Al die dingen spelen mee om een sfeer van paranoia te creëren – het verhaal leek nooit echt te kloppen, er zat méér achter, het kon toch niet dat één kogel al die schade aanrichtte? En bij uitbreiding, het kon toch al helemaal niet dat één loser de machtigste man ter wereld had vermoord?

De hypothese van Oliver Stone heeft over de loop der jaren behoorlijk wat kritiek gekregen, en veel van zijn punten zijn ondertussen weerlegd. Maar dat verhindert niet dat JFK nog altijd vlammende, gepassioneerde, briljant geregisseerde cinema is. Om te beginnen is er gewoon al de overweldigende hoeveelheid informatie die Stone op het publiek afvuurt, zonder onnodig te verwarren. Stone weet de geschiedenis (of althans, zijn interpretatie van de geschiedenis) zorgvuldig te dramatiseren om de kijker georiënteerd te houden binnen de zondvloed aan personages, verhaallijnen en theorieën die hij op ons afvuurt. Hij herhaalt soms bepaalde beelden en momenten om het geheugen van de kijker op te frissen en zoekt ook zijn toevlucht tot die aloude truc van regisseurs die een verhaal vertellen met veel personages: hij cast voor elke kleine bijrol een bekende kop. Walter Matthau, Jack Lemmon, Joe Pesci, Kevin Bacon en nog veel anderen duiken op voor een slechts paar scènes, maar gewoon door hun herkenbaarheid kunnen we hun personages per definitie uit elkaar houden.

En dan die montage: Stone en zijn monteurs Joe Hutshing en Pietro Scalia (die later een vaste medewerker van Ridley Scott zou worden) vlechten hier 35mm, 16mm, 8mm-film, zwart-wit- en kleurmateriaal én archiefbeelden naadloos aan elkaar om een overtuigend, authentiek documentaire-karakter aan de film te geven. Die verschillende stijlen geven enerzijds een sterke visuele energie aan het verhaal, maar ze worden niet willekeurig gebruikt. JFK is een film van verschillende narratieve lagen, en al die lagen krijgen hun eigen visuele stijl. Garrisons leven en onderzoek naar de moord worden in traditioneel 35mm kleurenfilm weergegeven – dit is de basislaag van de film, de realiteit. Telkens wanneer de personages beginnen te speculeren over de moord, krijgen we flash-backs in 35mm zwart-wit. Zoals Garrison zelf zegt in één van de meest geciteerde teksten uit de film: “We are through the looking glass here. White is black and black is white.” Getuigenissen van mensen die op de dag van de moord in Dallas waren, zijn dan weer afwisselend in kleur en zwart-wit gefilmd, maar op andere filmformaten: 16 en 8mm.

De hoeveelheid informatie en de dynamische montagestijl geven JFK, ondanks zijn lengte van ruim drie uur, een geweldig tempo mee. Voeg daar nog eens de onheilspellende score van John Williams aan toe, die vertrekt vanuit traditionele Amerikaanse parademuziek en die dan perverteert met thriller- en dramatische melodieën, en je krijgt een bloednerveus technisch meesterwerkje.

Hoezeer het ook bon ton geworden is om te lachen met Kevin Costner, je moet toegeven dat de man een risico nam door op het hoogtepunt van zijn roem mee te spelen in een film die voorbestemd was om controversieel te worden. Costner speelt Garrison als een everyman die langzaam maar zeker het mysterie rond Kennedy’s dood ontrafelt. Hij heeft geen showy rol, maar is wel het anker van de film. Gary Oldman mag veel nadrukkelijker uitpakken als Oswald, maar geeft een hyperintense prestatie, die is opgetrokken uit indringende blikken en ettelijke liters zweet. De film wordt conventioneler en minder interessant wanneer hij zich concentreert op het huwelijksleven van Garrison, met voor de hand liggende conflicten à la “je bent nooit thuis voor je kinderen”. En daarbij maakt het eigenlijk niet uit dat Sissy Spacek op zich wel goed staat te acteren.

Of je er nu in gelooft of niet, JFK is een hypnotiserende, energieke brok cinema, die getuigt van een onbedwingbare passie die er de laatste tien jaar wat aan ontbreekt bij Stone. Meer dan 20 jaar na datum blijft de prent als een monument overeind staan.

E-mailadres Afdrukken
 
JFK
USA / 1991
Regie: Oliver Stone
Scenario: Oliver Stone; Zachary Sklar
Met: Kevin Costner; Gary Oldman; Sissy Spacek; Donald Sutherland; Michael Rooker; Joe Pesci; Tommy Lee Jones; Kevin Bacon; Jay O. Sanders; John Candy
Duur: 188 min.


advertentie
Banner

TEST