Banner

Opinie: Jan Verheyens kleine cultuuroorlog

Dennis Van Dessel - 04 oktober 2013

Jan Verheyen, de regisseur van o.a. de twee Team Spirit-films, Buitenspel en Dossier K, heeft een nieuwe prent klaar en dat gaat, zoals gebruikelijk, gepaard met de nodige tamtam. Het Vonnis werd al tijdens de draaiperiode omschreven als een “controversiële film” – waarmee controverse blijkbaar iets is geworden dat simpelweg kan worden aangekondigd door filmmakers, in plaats van iets dat al dan niet losbarst na de release van een prent. Het verhaal draait rond een man, gespeeld door Koen De Bouw, wiens echtgenote vermoord wordt. De moordenaar komt vrij door een procedurefout en dat drijft De Bouw ertoe om het recht in eigen handen te nemen. De film komt uit op woensdag 9 oktober en krijgt dan ook zijn bespreking op deze site. (Voor de duidelijkheid: dit stuk biedt dus geen mening over de film zelf, die een regieprijs won op het Filmfestival van Montréal en dus, for all we know, best een uitstekende film kan zijn.)

Typisch voor een Jan Verheyen-film is dat het in de publiciteit vrijwel uitsluitend de regisseur zelf is die aan het woord komt, en dat deed hij op 2 oktober 2013 dan ook in het weekblad Knack. In het interview doet Verheyen niet alleen enkele uitspraken over justitie – het apparaat is kapot, meneer! – maar ook, vrijwel onvermijdelijk telkens wanneer de regisseur zijn mond opent, over de culturele wereld om hem heen. We citeren even:

In dit land worden (kunstenaars) zo gepamperd dat ze zich tegen het regime aanschurken. Het is net zoals in de middeleeuwen, toen de vorsten kunstenaars betaalden voor fijne muurschilderingen of voor amusement tijdens het diner. Kunstenaars zijn soms echte narren, en onze huidige generatie is daar geen uitzondering op. (…) De N-VA is een bedreiging voor het regime, ergo de N-VA is een bedreiging voor het status-quo waarin de kunstwereld zich goed kan vinden.”

En ook:

Kunst laat zich niet definiëren, maar er moet wel een ondergrens zijn die bepaalt wanneer kunst gewoon een hobby wordt. Als je kunst beoefent voor jezelf en wat vrienden, moet je je toch afvragen of die hobby betaald moet worden door de gemeenschap. (…) Kunstenaars moeten zich soms vragen durven te stellen. Als een bakker een brood bakt dat niemand lust, zal zijn bakkerij niet lang openblijven. Ook al roept hij luid dat hij zijn tijd ver vooruit is en dat mensen over tien jaar zijn brood wel zullen lusten. I don't think so. Ik denk dat zijn brood niet te vreten is.”

Dit laatste discours heeft Verheyen overigens al eerder gevoerd. Een tijdje geleden noemde hij in De Standaard bepaalde, niet nader genoemde films “narcistische bezigheidstherapieën waar – letterlijk – een paar duizend mensen naar komen kijken”, en waarvan je je dus “stilaan mag beginnen afvragen of er nog een maatschappelijk draagvlak voor bestaat”. Een niet eens zo heel verdekte oproep voor het boycotten (onder andere op het vlak van overheidssubsidies) van elke film die niet expliciet voor de grootste gemene deler werd gemaakt.

Cultuur à la flamande

Eerst en vooral een kwestie van eerlijkheid: Jan Verheyen is zeker geen slaafse volgeling van de retoriek van de N-VA en geeft elders in het Knack-interview zelfs felle kritiek op de partij van Bart De Wever. Wie Verheyen wil afdoen als een “spreekbuis van de N-VA”, wil zich er dus te simpel van af maken.

Blijft er wel het feit dat het intellectueel oneerlijk is om een tegenstelling te creëren tussen “het regime” enerzijds en de N-VA anderzijds. N-VA zit op federaal niveau misschien in de oppositie, maar is wel aanwezig in de Vlaamse regering en heeft een sterk overgewicht op stedelijk en gemeentelijk niveau. Het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds), dat de subsidies voor de Vlaamse filmproducties uitreikt, is, zoals de naam impliceert, een instelling van de Vlaamse Gemeenschap, waar de N-VA in zetelt. Als de Vlaamse filmmakers dus een been zoeken om zich tegenaan te schurken, dan zouden ze juist best dat van de N-VA uitkiezen, want guess what: in het Vlaanderen van vandaag is de N-VA het regime. Bovendien zou het nog een interessante uitdaging zijn voor Verheyen om zijn idee van de kunstwereld als narren van het regime te staven met wat voorbeelden: hoeveel Vlaamse films hebben de voorbije tien jaar tout court een politieke boodschap gehad, hetzij pro, hetzij contra Vlaams-nationalisme? Het enige dat me zo meteen voor de geest komt is de Woestijnvisserie Met Man en Macht, over intriges in de gemeentepolitiek, maar die reeks was juist opvallend mild voor zijn N-VA-personages (vertolkt door Josse de Pauw, Lucas Van den Eynde en Sara De Roo), en de whodunit Deadline 14/10.

Maar goed, laten we het vooral niet ontkennen: de culturele wereld keert zich inderdaad vaak en masse tegen de N-VA – zij het dan meestal buiten hun culturele productie, als privé-personen. (Een ironisch terzijde: één van de meest uitgesproken critici van het Vlaams-nationalisme is uitgerekend Koen De Bouw, die de hoofdrol speelt in Het Vonnis.) In de meeste gevallen is hun afkeer van de N-VA echter niet zozeer het resultaat van het ideologisch schrikbeeld van een onafhankelijk Vlaanderen, maar wel van de utilitaire visie van de partij op de artistieke sector: net zoals elke andere sector moet ook deze winstgevend zijn, of er wordt genadeloos in gesnoeid. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Antwerpen, onder het goedkeurend oog van Minister van Cultuur Joke Schauvliege (CD&V). Onder andere Het Toneelhuis en De Vlaamse Opera moesten het met een pak minder stellen. De Singel, Monty, Rataplan, Filmhuis Klappei: niets. Nogal logisch dat deze mensen zich aangevallen voelen.

Maar het is exact deze denkwijze van de N-VA waar Verheyen zich in kan vinden. “Er moet wel een ondergrens zijn die bepaalt wanneer kunst gewoon een hobby wordt. Als je kunst beoefent voor jezelf en wat vrienden, moet je je toch afvragen of die hobby betaald moet worden door de gemeenschap.” Door culturele producties te vergelijken met een bakker die een brood bakt, reduceert hij kunst tot enkel nog een commercieel product. Iets dat gemaakt wordt om te verkopen. Wie niet verkoopt, is dus geen kunstenaar, maar een hobbyist. En producten die niet verkocht raken, dat zijn slechte producten. Brood wordt niet verkocht omdat het niet te vreten is. Als films commercieel floppen, dan zijn ze slecht. Het publiek heeft altijd gelijk.

Nu zou je Jan Verheyen nog kunnen volgen in zijn redenering, mocht het VAF subsidies uitreiken aan échte hobbyprojecten. Een medewerker van het VAF heeft mij persoonlijk ooit toevertrouwd dat het Fonds soms – letterlijk – subsidieaanvragen ingediend krijgt van mensen die geen enkele ervaring met film hebben, totale leken, maar die dan geld vragen om in hun tuin de bloemetjes te filmen. Natuurlijk is het logisch dat deze ware hobbyisten geen geld van de overheid moeten krijgen. Maar dat soort dingen gebeuren ook niet en dat is ook niet waar Verheyen het over heeft. De regisseur heeft het specifiek over professionele filmproducties die gemaakt zijn vanuit een artistieke ambitie die hij niet kan smaken, en waar niet veel volk naar gaat kijken. Over films als Bluebird van Gust Van den Berghe, Kid van Fien Troch, Little Black Spiders van Patrice Toye en ga zo maar door.

Verheyen in het interview met Knack: “Ik blijf mij aan die mentaliteit ergeren. Waar volk naar komt kijken, is verdacht en corrupt. Waar niemand naar komt kijken, is kunst en zijn tijd ver vooruit. Baarlijke onzin! Als er niemand naar een film komt kijken, is dat meestal heel terecht.”

Jan vs De Intellectuelen

Nu mag het duidelijk zijn dat Jan Verheyen iemand is die zichzelf graag een Calimero-imago aanmeet. Ooit heeft hij besloten eigenhandig een soort culturele oorlog uit te roepen tussen enerzijds de arty farty kunstfilms waar de door hem duidelijk niet gewaardeerde intelligentsia naar gaat kijken, en anderzijds de publieksvriendelijke mainstream cinema. Ik durf te betwijfelen dat die oorlog ooit al heeft bestaan, want ik lees met de regelmaat van een klok positieve recensies van degelijke publieksfilms, inclusief bv de overwegend positieve ontvangst van Dossier K. Maar zelfs voor zover dat wél het geval is, heeft Verheyen hem al lang gewonnen. Getuige daarvan de bezoekcijfers van pakweg Zot van A tegenover die van 22 mei, om nog maar te zwijgen van het verschil in de promotionele zichtbaarheid tussen de twee films. Maar het komt Verheyen beter uit om het slachtoffer te blijven spelen, de moedige voorvechter van de simpele smaak van de simpele Vlaming, die continu langs alle kanten belaagd wordt door... Tja, door wie eigenlijk? Door Patrick Duynslaegher, veronderstel ik.

In de praktijk heeft Verheyen helemaal niets om zichzelf geviseerd over te voelen (wat hem uiteraard niet tegenhoudt om dat te blijven doen). Al zijn films worden gesubsidieerd door het VAF, er wordt telkens weer een promotiecampagne aan opgehangen waar andere regisseurs alleen maar van kunnen dromen en het publiek komt doorgaans in drommen kijken. Hell, ze hebben hem zelfs een medaille gegeven in de Vlaamse regering, wat zijn argumenten tegen de gevestigde orde, tegen “het regime”, een hypocriete bijklank geeft.

De regisseur mag er gerust op wijzen dat dat commerciële succes ook het gevolg is van veel werk en slapeloze nachten van cast en crew – maar een underdog is Verheyen sowieso niet. Met de mogelijke uitzondering van Erik Van Looy, bevindt hij zich in de meest bevoorrechte situatie van eender welke regisseur in Vlaanderen. Wat de vraag oproept: waarom dan die wrok tegenover minder commerciële films? Tegenover alles dat zelfs maar van veraf naar kunst riekt? Waarom misgunt Verheyen impliciet of expliciet de subsidies van Koen Mortier (22 mei), Caroline Strubbe (Lost Persons Area), Patrice Toye (Little Black Spiders) en Dorothée van den Berghe (My Queen Karo)? Films waarvan het hem uiteraard vrij staat om ze goed of slecht te vinden, maar die sowieso hun bestaansrecht hebben.

Het argument dat ze publieksonvriendelijk zouden zijn, gaat daarbij niet op. Stel dat je een scenario op je bureau krijgt over een jongetje van 11 dat wordt gecastreerd door een agressieve, mentaal gehandicapte leeftijdsgenoot en daarna opgroeit tot een woedende brok frustratie, die zichzelf volpompt met hormonen. Hoe zou je spontaan de commerciële kansen van zo'n film inschatten? Het klinkt niet als een kaskraker maar Rundskop werd wel een hit die zich qua bezoekcijfers kon meten met eender welke Verheyen-film. Wat heet dan “publieksvriendelijk”? Hoe bepaal je dat, hoe meet je dat? En wat meer is: zelfs al komt er geen hond naar een film kijken, zegt dat dan iets over de kwaliteit ervan? Er zijn heel wat films die we tegenwoordig als klassiekers beschouwen, maar die geen cent winst maakten tijdens hun eerste release. Fight Club. Blade Runner. Zelfs heilige koeien als It's a Wonderful Life, Citizen Kane en The Wizard of Oz. Hadden al die films niet gemaakt mogen worden, omdat er geen “sociaal draagvlak” voor bestond? Of was The Wizard of Oz gewoon niet publieksvriendelijk genoeg, was dat het probleem? Te cinefiel? Alleen geschikt voor pretentieuze intellectuelen? Waren ze broden die destijds niet te vreten waren, maar door de één of andere mysterieuze chemische reactie achteraf ineens toch lekker zijn gaan smaken voor volgende generaties filmliefhebbers?

Meer en meer krijgt Verheyen het air van een verbitterde bad winner. Iemand voor wie het niet genoeg is dat het hem voor de wind gaat – hij wil blijkbaar het gehele culturele landschap omvormen naar zijn eigen esthetische en politieke smaak. Een kunstwereld waarin alles per definitie “voor iedereen” wordt gemaakt. En dus eigenlijk voor niemand.

(Copyright coverfoto: Joost Demuynck)

E-mailadres Afdrukken