Banner

Dodes'ka-den

7.0
Dennis Van Dessel - 12 juni 2007




Er zijn maar weinig filmmakers wiens levensverloop (of althans hun mentale levensverloop) duidelijker af te lezen is aan hun werk dan Akira Kurosawa. Hij begon zijn carrière als auteur met 'Drunken Angel', een energiek, vinnig werkstuk dat duidelijk een fundamenteel geloof in de goedheid van de menselijke natuur toont. Tegen de tijd van 'Ran', in 1985, zien we een oude, teleurgestelde man, geobsedeerd door ideeën van verlies en dood. De jaren waren niet goed voor Kurosawa. Het fascinerende voor een filmliefhebber is dan weer dat je die ommezwaai in zijn werk kunt zien gebeuren. 'Red Beard', uit 1965, was de laatste film uit wat meestal zijn glorieperiode wordt genoemd. Vanaf 'Dodes'ka-den' liep het radicaal anders. Hij filmde voor het eerst in kleur, ja, maar wat veel belangrijker is: zijn mentaliteit tegenover zijn personages en hun verhalen werd somberder. Kurosawa werd negatiever en hopelozer, zijn films werden statischer en trager, en kwamen ook met steeds langere tussenpozen. Die trend zou hij tot aan het einde van zijn dagen blijven voortzetten.

De productie van 'Red Beard', die twee jaar lang had aangesleept en immens veel geld had gekost, had ervoor gezorgd dat Kurosawa's reputatie van perfectionistische tiran groter was dan ooit. Ook al was 'Red Beard' destijds een enorm kassucces, niet veel geldschieters wilden het zichzelf nog aandoen om met hem te werken. Kurosawa liep enkele jaren rond met 'Dodes'ka-den' voordat het hem eindelijk lukte de film gemaakt te krijgen, en toen die uitkwam, flopte hij fenomenaal. De Japanse critici waren niet mals en het publiek bleef weg. Toen hij enkele jaren later eindelijk in het westen te zien was, werd de prent onthaald als een zoveelste meesterwerk, maar tegen die tijd was Kurosawa al lang in een depressie gesukkeld die ertoe leidde dat hij zelfmoord probeerde te plegen.

Het onderwerp van de film zal wel gedeeltelijk het gebrek aan populariteit verklaren: we volgen het dagelijkse leven van pakweg tien straatarme Japanners anno 1970, die in geïmproviseerde huisjes wonen op een stortplaats. Allemaal zijn ze mensen die werden achtergelaten in de economische bloei van het industriële Japan van de jaren vijftig en zestig (een wereld die Kurosawa eerder had bezocht en bekritiseerd in zijn films, met het meeste succes in 'High and Low'). We zien een wanhopige zakenman die mot krijgt van zijn vrouw, twee bezopen vrienden die vrolijk aan partnerruil doen, een vader die met zijn zoontje in het wrak van een auto woont, een meisje dat inwoont bij haar oom en door hem wordt misbruikt, en een milde kunstenaar die op de één of andere manier het geluk gevonden lijkt te hebben. Tussen hen in, als leidmotief van de film, plaatst Kurosawa het personage Rokkuchan, een mentaal gehandicapte jongen die helemaal weg is van trams en elke dag door de kleine gemeenschap op de vuilnisbelt tuft terwijl hij het geluid imiteert dat trams in zijn oren maken: dodes'ka-den, dodes'ka-den...

Het is erg verleidelijk om die arme Japanners op hun storthoop uit te leggen als een metafoor voor het één of ander, maar het feit is dat dit soort gemeenschapjes van verstotelingen nog steeds écht bestaan. Daarom niet noodzakelijk op vuilnisbelten, maar in parken en andere openbare plaatsen zijn er in de grote Japanse steden vaak ambachtelijk in elkaar getimmerde krotten terug te vinden waar de allerarmsten zich ophouden. Terwijl het land zich in de sixties volop op de borst aan het kloppen was voor de miraculeuze manier waarop ze uit het economische en sociale dal van de Tweede Wereldoorlog waren gekomen, maakte Kurosawa hier een film over de slachtoffers van die industriële opmars. Dat thema keert steeds weer terug in Kurosawa's eigentijdse films: welke prijs betalen we voor wat we, bij gebrek aan een beter woord, vooruitgang noemen? Welke menselijke en morele prijs betalen de grote bonzen van dat wereldje ('The Bad Sleep Well', 'High and Low'), en wat zijn de gevolgen voor de armen, zoals ze hier getoond worden? Kurosawa was een humanist, maar in 'Dodes'ka-den' toont hij zich voor het eerst een uitgesproken pessimistische humanist.

De personages hier worden op een ietwat Altmaneske manier afgetekend (hoewel Robert Altman rond deze tijd nauwelijks aan zijn carrière begonnen was). We krijgen een ensemble cast, waarin we van het éne personage op het andere springen, met menselijke tram Rokkuchan als onze gids, die ons toelaat om de verschillende figuren één voor één te leren kennen, en met enkele vrouwen op een binnenpleintje als een soort van Grieks koor, dat op gezette tijden commentaar mag geven op de gebeurtenissen. Het is Kurosawa's prestatie als filmmaker dat we nooit verward raken tussen de verhalen, die veelal een gelijkaardig stramien vertonen: mensen zitten diep in de miserie, maar dromen van betere tijden. (In die zin vertoont 'Do'deska-den' veel gelijkenissen met 'The Lower Depths'.) Het mooiste voorbeeld daarvan is dat van de vader met zijn zoontje in het autowrak: samen fantaseren ze een droomhuis bij elkaar, dat steeds groter en luxueuzer wordt. Maar zij weten, net zo goed als wij, dat dat huis er nooit zal komen. Hun verhaal eindigt dan ook navenant.

En dat is dus de verandering in mentaliteit die er bij de regisseur is gekomen: er lijkt nauwelijks nog hoop op redding te zijn. Het is allicht geen toeval dat Kurosawa een goedaardige kunstenaar introduceert, die de andere personages probeert te helpen, maar ook zijn pogingen zijn op lange termijn maar een druppel op een hete plaat. Als regisseur, lijkt hij ons te willen zeggen, zou hij óók graag willen dat hij die personages kon helpen, maar zo werkt het nu eenmaal niet. Uiteindelijk gaat het leven van de stortbewoners ook maar in rondjes door, net zoals Rokkuchan steeds maar in rondjes voor tram blijft spelen, zonder ooit ergens te raken. Niemand stapt op of af. Niemand gaat ergens naartoe.

Stilistisch is 'Dodes'ka-den' één van Kurosawa's interessantste films, omdat het een filmmaker toont die zich geperfectioneerd had in het gebruik van zwart-wit en nu voor het eerst op kleur overschakelde. De regisseur aanvaardde kleur niet zomaar als vanzelfsprekend, maar wendde het aan om zijn inhoudelijke punten duidelijk te maken: hij maakt van 'Dodes'ka-den' een mengeling van grimmig realisme, met veel grijs- en bruintonen, en dan af en toe zéér gestileerde momenten, waarin hij felle primaire kleuren op het scherm smijt. Plots kun je van een kilometer afstand zien dat we ons op een set bevinden, de achtergrond ziet felrood of -geel en de belichting is zo nadrukkelijk aanwezig dat je bijna de lamp kunt zien staan. Dat is vanzelfsprekend een opzettelijke stilistische truc, waarmee Kurosawa heel af en toe het realisme wil overstijgen om een abstractie te maken van de emoties die hij toont. De regisseur gebruikt die kleuren niet zomaar. Hij speelt ermee.

Verder introduceert Kurosawa hier de lange, vaak statische shots waar hij in zijn latere films steeds verder in zou gaan, en het gezapige tempo dat ook kenmerkend zou worden. En het hoeft gezegd, 'Dodes'ka-den' is een lange zit, vooral omdat je na pakweg anderhalf uur het gevoel krijgt dat de boodschap onderhand wel is overgebracht. Bovendien zit ook de muziek ditmaal niet goed: het is alleen aan het begin en het einde echt storend, maar het klinkt als het deuntje van een melige seventies dramareeks uit Amerika.

'Dodes'ka-den' is vooral een film van een regisseur die na een lange carrière plots opnieuw aan het zoeken is, die plots een andere weg wil inslaan. Het resultaat is zeker niet zijn beste film, maar wel een razend interessante.

E-mailadres Afdrukken
 
Dodes'ka-den
Japan / 1970
Regie: Akira Kurosawa
Scenario: Akira Kurosawa; Shinobu Hashimoto; Hideo Oguni
Met: Yoshitaka Zushi; Kin Sugai; Hisashi Igawa; Keiji Furuyama
Duur: 140 min.


Uit ons archief
Banner

TEST