Banner

Cul-de-Sac

7.0
Dennis Van Dessel - 24 oktober 2009




Er zijn niet veel regisseurs die zo snel zo veel artistieke geloofwaardigheid hebben kunnen opbouwen als Roman Polanski. Zijn eersteling, 'Knife in the Water', was meteen al goed genoeg om hem een ticket naar het westen te garanderen, en met zijn opvolger 'Repulsion' won hij de Zilveren Beer in Berlijn. Polanski's films waren gericht op een nichepubliek dat de betere Europese thriller kon waarderen, maar ze waren al vanaf het begin goed voor instant erkenning in de pers en genoeg box office om hem aan het werk te houden. In 1966 maakte hij, samen met zijn vaste co-scenarist Gérard Brach, een bizarre psycho-seksuele zwarte komedie, die thematisch als een tegenhanger diende voor 'Knife in the Water'. 'Cul-de-Sac' is nog steeds één van zijn vreemdste films, maar ontegensprekelijk fascinerend kijkvoer.

Dickie (Lionel Stander) en Albie (Jack MacGowran) zijn twee gewonde criminelen die op de één of andere manier (de omstandigheden worden nooit helemaal duidelijk) met hun auto terechtkomen op het eiland Lindisfarne in Northumberland. Daar is geen levende ziel te bespeuren, behalve de lichtjes geflipte George (Donald Pleasance) en zijn jonge trofeevrouw Teresa (Françoise Dorléac), die hun intrek hebben genomen in het afgelegen kasteel waar Walter Scott ooit Rob Roy schreef. Dickie gijzelt het koppel, in de hoop dat zijn opdrachtgever, de mysterieuze Mr. Katelbach, hem en Albie komt redden. Tijdens de uren die volgen, ontstaat er een mentale en fysieke machtsstrijd tussen Dickie, George en Teresa, waarbij het lang niet altijd duidelijk is aan welke kant Teresa eigenlijk staat.

Die plot klinkt als de set-up voor een traditionele thriller die herinneringen oproept aan klassiekers als 'The Desperate Hours', maar Polanski gebruikt een altijd vreemd en soms bewust geperverteerd gevoel voor humor om van 'Cul-de-Sac' een wrede zwarte komedie te maken. De film wordt hoegenaamd niet voortgestuwd door de vraag of George en Teresa hun gijzeling zullen overleven, maar eerder door de manier waarop de relatie tussen het koppel wordt blootgelegd door het binnenvallen van de gangsters.

Vanaf de eerste seconde is het immers duidelijk dat het huwelijk tussen de twee niet echt ideaal is. We komen te weten dat ze nog maar tien maanden getrouwd zijn, maar aan het begin van de film wordt Teresa geïntroduceerd wanneer ze met een andere man ligt te rollebollen in de duinen. Achteraf, in hun slaapkamer, verplicht Teresa George om haar nachtjapon aan te trekken en make-up op te doen. Hij is te zwak om weerstand te bieden en speelt haar spelletje mee. Polanski doet niet aan openlijke psychologisering van zijn personages, maar geeft wel genoeg achtergrond opdat we onze eigen conclusies zouden kunnen trekken. George is een man van meer dan middelbare leeftijd die gescheiden is van zijn eerste vrouw en zich nu met zijn Frans groen blaadje heeft teruggetrokken van de wereld in een kasteel dat elke dag, met het opkomen van het tij, letterlijk een eiland wordt. Zowel fysiek als mentaal zit hij in een doodlopende straat: hij heeft zijn bruggen met vroeger opgeblazen en blijft nu alleen achter met een vrouw die hem niet serieus kan nemen. Wat Teresa betreft: zij heeft allicht voor George z'n geld gekozen, om nu tot de conclusie te komen dat ze zich kapot verveelt in dat kasteel. Haar flirt met een jongere man uit de buurt en de manier waarop ze George constant probeert te vernederen, zijn daar dan een reactie op.

De komst van de gangsters, en vooral Dickie, is dan net het element dat blijkbaar nodig was om die hele situatie tot een kritiek punt te brengen. Dickie is misschien geen groot intellectueel licht, maar hij heeft wel door wat er aan de hand is en wordt al snel de tweede persoon die George voortdurend vernedert - zijn het dan iets minder subtiel dan Teresa. De tegenstellingen tussen de twee mannen hadden trouwens niet groter kunnen zijn: George is een mager, iel ventje met een kale kop en lichtjes verwijfde manieren, terwijl Dickie een zware, bebaarde brok mannelijkheid is met een stem die klinkt als schuurpapier dat tegen 120 kilometer per uur over asfalt is getrokken. Die tegenstelling, en het complete onvermogen van George om ook maar een klein beetje weerstand te bieden tegen Dickie, zorgt ervoor dat het hele leugenachtige huwelijk tussen George en Teresa wordt onthuld als wat het echt is: een doodlopend steegje, een cul-de-sac.

Had ik al gezegd dat dat alles een komedie hoort te zijn? Maar dan wel één van de wreedste soort, waarin Polanski van zichzelf als regisseur eigenlijk een vierde hoofdpersonage maakt, dat gretig meedoet met het uitlachen van de personages. Hij zoekt hier humor in situaties die in de meeste films aanleiding zouden geven voor een ernstig psychologisch drama of een claustrofobische thriller. In 'Knife in the Water' en, veel later, in 'Death and the Maiden', zou hij een gelijkaardige materie overigens inderdaad op een ernstige manier behandelen. Je kunt niet ontkennen dat hij die humor ook effectief vindt - maar dan wel op een erg oncomfortabele manier. De reacties op 'Cul-de-Sac' waren aanvankelijk erg gemengd, omdat het vaak niet duidelijk is wat voor respons Polanski nu juist van het publiek wilt op verschillende scènes. Wilt hij dat we lachen, dat we terugdeinzen omdat het allemaal zo erg is of wilt hij ons in spanning houden? Alle drie die opties zijn meestal open, en de kijker mag die dan invullen met eender welke emotie hij spontaan voelt. 'Cul-de-Sac' is wellicht de enige film die je op maandag kunt zien als een hilarische, zij het erg zwarte, komedie, en op vrijdag als een deprimerend drama, afhankelijk van hoe je eigen pet staat.

Polanski gebruikt hier een knappe zwart-wit cinematografie met eenvoudige, bescheiden, maar vaak wel erg elegante camerabewegingen om dat verhaal te vertellen. De regisseur is altijd een visuele classicus gebleven, die gelooft dat elke beweging gemotiveerd moet zijn en dat elk shot een logisch point-of-view nodig heeft. Hier wordt dat vooral duidelijk in een lange scène op het strand met de drie hoofdpersonages, waarin Polanski in één lang shot bijna onmerkbaar zijn camera van Dickie naar Teresa en terug naar George laat glijden. Het is een shot dat niet de aandacht op zichzelf trekt omdat de beweging niet opzichtig is - maar in die ene beweging veranderen we wel twee keer van gezichtstandpunt. Dat heet dan elegantie.

De acteurs zijn uiteraard doorslaggevend in dit soort film, en alle drie de hoofdrolspelers doen hun job perfect, met Donald Pleasance op kop. Hij geeft een zenuwachtige, excentrieke vertolking, die toch consistent is in z'n excentriciteit. Het wordt misschien nooit helemaal duidelijk aan wat voor neurose George lijdt, maar Pleasance schept in ieder een erg consequente indruk van een verknipt persoon. Françoise Dorléac en Lionel Stander hebben het iets makkelijker met meer "normale" rollen en bouwen onderling een sterke mentale en seksuele spanning op.

'Cul-de-Sac' is vreemd, soms traag (zeker tijdens het eerste half uur) en trekt zo nadrukkelijk z'n neus op voor genrebeperkingen dat hij zelfs frustrerend kan zijn. Maar het is wel unieke cinema, die geen hokje nodig heeft om boeiend te zijn.

E-mailadres Afdrukken
 
Cul-de-Sac
UK / 1966
Regie: Roman Polanski
Scenario: Gerard Brach; Roman Polanski
Met: Donald Pleasance; Françoise Dorléac; Lionel Stander; Jack MacGowran
Duur: 113 min.


Advertentie
Advertentie
Banner

TEST