Banner

Kagemusha

8.0
Dennis Van Dessel - 13 juni 2007





162 min. (180 min. director's cut) / Japan / 1980

De late films van Akira Kurosawa worden vaak geroemd om hun strakke, extreem zuivere beeldvoering, en terecht: meer nog dan de films uit zijn glorieperiode in de jaren vijftig en zestig, gebruikte de regisseur in zijn laatste meesterwerken uit de jaren zeventig en tachtig een filmgrammatica die weinig minder dan briljant was in al z'n eenvoud. De camera bewoog nauwelijks nog, maar elk shot was tot op de millimeter nauwkeurig georchestreerd en het gebruik van kleuren was uitbundig expressief. Er is een heel eenvoudige verklaring voor die visuele stijl: in deze periode van zijn carrière moest Kurosawa vaak vijf jaar of langer wachten vooraleer hij de financiering van zijn films rondkreeg. In de tussentijd probeerde hij zijn projecten voor zichzelf in leven te houden door schilderijen te maken van de shots die hij achteraf wilde maken. Voor 'Kagemusha' maakte hij ettelijke tientallen waterkleuren en schetsen. Bijna een decennium lang liep hij met het idee van de film rond en tegen de tijd dat de camera's eindelijk draaiden, had hij niet alleen de hele prent al in z'n hoofd zitten, maar een aanzienlijk deel ervan ook al uitgetekend. Geen wonder dan dat hij er visueel zo strak en weloverwogen uitziet.

Het waren moeilijke tijden voor Kurosawa: hij stond gekend als een tirannieke perfectionist die lak had aan budgets en tijdschema's, en na de flop van 'Dodes'ka-den' stond niemand in Japan nog te springen om met hem te werken. Hij probeerde zelfmoord te plegen en kon nadien enkel nog werk krijgen in Rusland, waar hij 'Dersu Uzala' maakte - zeker niet zijn beste film, maar wel één die in het westen werd aangewend om de regisseur eindelijk wat erkenning te geven. Hij won er een oscar voor, en kwam zo in contact met Francis Ford Coppola en George Lucas, twee zelfverklaarde fans van Kurosawa. Zij hielpen hem uiteindelijk om de financiën voor 'Kagemusha' rond te krijgen.

Kurosawa noemde 'Kagemusha' achteraf zelf zijn generale repetitie voor 'Ran', en die uitspraak klopt op verschillende niveau's: het is een episch kostuumdrama dat zich afspeelt in feodaal Japan, maar waar 'Ran' vrij veel veldslagen bevat, is de actie in 'Kagemusha' bijna onbestaande tot op het einde. Gelijkaardige inhoudelijke thema's worden verkend, maar dan wel op heel verschillende manieren. Dezelfde acteur speelt de hoofdrol, maar dan wel met een heel ander resultaat. 'Kagemusha' afdoen als 'Ran in wording' is wellicht te weinig eer voor de opmerkelijke film die hij op zichzelf bekeken ontegensprekelijk is, maar bepaalde ideeën keren wel duidelijk terug in beide films, waarbij 'Ran' zonder meer de meest volgroeide van de twee is.

De plot speelt zich af aan het einde van de feodale periode in Japan. Krijgsheer Takada Shingen (Tatsuya Nakadai) is verwikkeld in een oorlog met twee andere krijgsheren die tegen hem samenspannen: Oda (Daisuke Ryu) en Tokugawa (Masayuki Yui). De inzet van hun strijd is de verovering van Kyoto, en daarmee de eenmaking van Japan onder hun beleid. Voor de veiligheid heeft Shingen een dubbelganger gevonden: een kruimeldief die op het punt stond gekruisigd te worden toen de broer van Shingen in hem een perfect duplicaat van de clanleider zag. De dubbelganger wordt meteen volop in zijn nieuwe rol gestort wanneer Shingen dodelijk gewond raakt na een veldslag: om het voortbestaan van zijn clan te garanderen, verzoekt Shingen dat zijn dood minstens drie jaar lang niet bekend wordt gemaakt. De dubbelganger moet het dus permanent van hem overnemen.

Kurosawa situeert dat verhaal op een zeer specifiek moment in de geschiedenis: de overgangsperiode tussen een Japan dat door verschillende krijgsheren geregeerd werd, en een ééngemaakt Japan, waarin stabiliteit van een enkele centrale macht diende te komen. De clanleiders hier vechten niet zomaar om een kasteel of een extra lap grond, maar om de heerschappij over Japan. Dat idee van een centraal bewind loopt blijkbaar samen met de introductie van de westerse cultuur, die door Kurosawa regelmatig wordt aangehaald: pelgrims uit het westen introduceren het katholocisme en zegenen de krijgsheren wanneer ze ten strijde trekken. De personages drinken wijn in plaats van saké. De regisseur suggereert dat op dat moment in de geschiedenis nieuwe ideeën en gebruiken kwamen aanwaaien uit Europa, en dat die hebben bijgedragen aan de ondergang van het feodale Japan.

Want een ondergang is het: die éénmaking van het land wordt niet gepresenteerd als een positieve gebeurtenis, maar als één die gepaard gaat met heel wat miserie en bloedvergieten. Het is hier dat er een interessante parallel valt te trekken met 'Ran': daar ging het over een heer die de controle over zijn macht wilde behouden door het te verdelen over zijn drie zoons, wat leidde tot chaos. Zolang de autoriteit bij één persoon lag, ging alles prima, het was bij het verdelen van de macht dat het misliep. Hier gaat het omgekeerd: de verdeling van het land tussen de clans leidt regelmatig tot interne oorlogjes, maar in feite gaat de wereld gewoon z'n gang. Het is de ambitie tot éénmaking, tot een enkele autoriteit, die alles naar de verdommenis helpt.

En Kurosawa keert nog wel meer van zijn gebruikelijke thema's om. Doorgaans is hij een regisseur die pleit voor individuen die zich tegen het establishment verzetten (zie 'Yojimbo', 'Sanjuro' en zelfs 'Red Beard' - allemaal onorthodoxe personages die hun individuele gevoel van rechtvaardigheid volgen). Hier, daarentegen, toont hij hoe de dief gaandeweg verandert in heer Shingen. Hij verliest zijn individualiteit, gaat op in de clan, en hoe meer hij dat doet, hoe sympathieker hij wordt voorgesteld. Wat Kurosawa precies geïnspireerd heeft om zo'n heel ander standpunt in te nemen, is natuurlijk een open vraag.

Dat alles wordt dus vormgegeven in een visueel ongelooflijk rigide film. Het kleurgebruik is nog net niet zo uitgekiend als in 'Ran', waarin elke partij zijn eigen kleur had, maar felle, bijna impressionistische kleuren overheersen. Let op het groene licht vlak voor de eerste veldslag. De rode en blauwe luchten tijdens de gevechten. Of vooral die droomscène, die herinneringen oproept aan een gelijkaardig moment in 'Dodes'ka-den' en volledig losgeslagen is van de werkelijkheid. Het openingsshot van 'Kagemusha' duurt net geen zeven minuten: de drie aanwezige personages zitten in een zorgvuldig geënsceneerde driehoek ten opzichte van elkaar, een enkele kaars brandt om de compositie af te maken. De camera beweegt meer dan zes minuten lang geen millimeter - dat éne shot zet meteen de visuele toon voor de rest van de film.

En het geeft ook meteen aan dat dit een trage prent zal worden. Eén van de voornaamste redenen waarom 'Kagemusha' niet een even groot meesterwerk is als 'Ran', is het bijzonder trage tempo, waardoor de aandacht al eens dreigt te verslappen. Bovendien is Tatsuya Nakadai perfect geschikt om de vorstelijkheid van Shingen te spelen, maar is hij niet helemaal geloofwaardig als de dief. Hij mist daarvoor de uitbundigheid en fysieke kracht. Eigenlijk was dit een perfecte rol voor Toshiro Mifune, en 'Kagemusha' is dan ook de enige late film van Kurosawa waarin je zijn aanwezigheid écht mist.

'Kagemusha' heeft tegenwoordig een beetje de ondankbare status van "voorloper van 'Ran'" gekregen, een film die evenzeer in de schaduw van zijn roemruchte opvolger staat als de dief in die van de krijgsheer. Maar ondanks z'n gebreken verdient de prent het toch om uit die schaduw te treden.

E-mailadres Afdrukken
 
Kagemusha
Japan / 1980
Regie: Akira Kurosawa
Scenario: Masato Ide; Akira Kurosawa
Met: Tatsuya Nakadai; Tsutomu Yamazaki; Masayuki Yui; Daisuke Ryu
Duur: 162 min. (180 min. d


Uit ons archief
Banner

TEST