Banner

Nuovo Cinema Paradiso

7.0
Dennis Van Dessel - 18 juli 2004
Er zit een prachtige scène in 'Cinema Paradiso', waarin de dorpelingen van een onooglijk gehucht in Sicilië al drie uur hebben staan wachten voor de gesloten deuren van een klein bioscoopje, enkel om tenslotte te horen te krijgen dat er geen extra vertoning meer zal volgen. In hun protest roepen ze naar de bovenverdieping van de cinema, naar Alfredo de projectionist, om er iets aan te doen. Alfredo verplaatst het glas voor de projector, zodat het beeld weerkaatst wordt naar buiten, levensgroot geprojecteerd op de muur van één van de omliggende gebouwen. Het volk is verrukt en allemaal samen gaan ze zitten om te genieten van de film. De magie van het medium is wellicht nooit mooier uitgedrukt dan in deze scène. De idee dat film iets is dat mensen kan samenbrengen in een enkele emotie, door iedereen gedeeld, komt hier op een prachtige manier uit naar voren. De muziek van Ennio Morricone, het bezadigde hondengezicht van Philippe Noiret en dan die oude zwart-wit beelden waar iedereen naar opkijkt - meer heeft een mens soms niet nodig om zich te herinneren waarom hij ooit een filmfanaat is geworden.

'Nuovo Cinema Paradiso' is een warmbloedige, lyrische ode aan die kracht van de cinema, een semi-autobiografische prent van Guiseppe Tornatore, die ondertussen de status van klassieker heeft gekregen. De plot draait rond Salvatore di Silva, een succesvolle regisseur die woont en werkt in Rome. Op een dag krijgt hij telefoon van zijn moeder, die hij jaren geleden heeft achtergelaten in zijn geboortedorpje, met het bericht dat Alfredo is gestorven. Alfredo was de projectionist van de oude Cinema Paradiso, het plaatselijke filmzaaltje waar zowat alle dorpsbewoners elke zondag binnenvielen voor hun wekelijkse portie escapisme. In lange flash-backs zien we Salvatore als jongetje van een jaar of zes, zeven, kennis maken met Alfredo, in wie hij een soort van vaderfiguur ziet. De oude man leert hem de geheimen van het filmprojecteren en terwijl op het scherm het ene melodrama na de andere thriller zich ontwikkelt, worden ze steeds betere vrienden.

Tornatore is blijkbaar gefascineerd door de impact die een film kan hebben op een publiek - de dorpelingen, allesbehalve gesofistikeerde filmfreaks die elk shot zitten te analyseren, laten zich helemaal opgaan in de ervaring. We zien hen brullen van het lachen zodra iemand op z'n kont valt, huilen bij het soort van pathetische melodrama waar wij tegenwoordig onze neus voor zouden ophalen, wegduiken voor filmmonsters à la Bela Lugosi. Ze schreeuwen luidop naar de personages en juichen wanneer de slechterik z'n bekomst krijgt. Dit zijn mensen die nog niet geleerd hebben hoe ze blasé moeten doen over een film, hoe ze cynisch moeten zijn. Ze nemen elke emotie in elke film helemaal letterlijk en dat zorgt voor een eerlijkheid in hun reacties die we tegenwoordig niet meer kennen. En Tornatore is daar gek op, hij geniet er zichtbaar van om dat alles in beeld te brengen. De cinema wordt als het ware een microkosmos voor de echte wereld - vetes tussen buren worden stilzwijgend uitgevochten op het balkon, verliefdheden ontstaan, jongetjes voelen hun eerste hormonale crisis opkomen bij het vertonen van een streep bloot vlees en kinderen worden verwekt op de achterste rij. Het bioscoopbezoek wordt een soort van rite in deze film, die de hele tijd trouwens gelinkt wordt aan kerkbezoek. Misschien dat er voor Tornatore niet eens zoveel verschil bestaat - de cinema is zijn kerk.

Zo krijgen we een dorpspastoor die elke week een privé-vertoning eist van de film die er komende zondag zal spelen. Telkens wanneer er iets plaatsvindt dat voor hem niet door de beugel kan, rinkelt hij geestdriftig met een bel - in twintig jaar hebben zijn schapen nooit een filmkus gezien, maar we krijgen wel zijn eigen gezicht te zien wanneer hij getuige is van die zondige fragmenten - hij geniet ervan, jazeker. Bovendien fungeert Salvatore aanvankelijk als misdienaar, tot hij z'n ware roeping ontdekt en z'n zondagen gaat doorbrengen in de projectiecabine van Alfredo. Film en religie worden constant aan elkaar gekoppeld, en waarom niet? Net als het geloof, heeft film de kracht om mensen hoop te geven, om hen goeie moed in te praten. Om hen te doen geloven in een happy end. Doet u er maar rustig meewarig over, maar voor een échte filmmaniak is dat wel ongeveer het heersende gevoel.

'Nuovo Cinema Paradiso' brengt die emoties op het scherm in een van melancholie doordrenkte film, die bezaaid is met langzame, betekenisvolle camerabewegingen, vertederende humor en prachtige muziek. Al wie ooit aan het einde van een film het gevoel heeft gehad dat hij wakker werd uit een soort van droom, zal perfect begrijpen waar Tornatore het over heeft - de gedachte dat een film je helemaal kan wegvoeren naar een plek waar het beter toeven is dan hier. Voor Salvatore is film zowel escapisme als venster op de wereld, het is wat hij gebruikt om de wereld te kunnen begrijpen, om aan het leven een hanteerbare vorm te geven.

Het eerste deel van de film, met de jonge Salvatore, is het beste - een onbezoedelde liefdesbrief aan de cinema. Dan in het tweede deel, waarin we de jongen opnieuw tegenkomen als adolescent die voor het eerst verliefd wordt, laat Tornatore zich toch verleiden door de mechanismen van een conventionele rites of passage-film: Salvatore ontmoet een meisje, kan haar niet krijgen, gaat het leger in en probeert achteraf om haar terug te vinden. Hij staat urenlang in de regen voor haar deur te wachten, schrijft haar mooie brieven die ongeopend weer terugkomen enzovoort. Dat soort van plotwendingen dienen in de eerste plaats om ervoor te zorgen dat 'Cinema Paradiso' tijdens z'n tweede helft niet langdradig wordt - Tornatore voelde zich verplicht om nieuwe elementen aan te brengen die het tempo erin zouden houden. Maar uiteindelijk zijn ze ook nogal voor de hand liggend - de liefdesgeschiedenis is tamelijk ongeïnspireerd, en had ook uit één van de melodrama's kunnen komen die ze in de Cinema Paradiso zelf spelen.

Hoe het ook zij, Tornatore slaagt er wel in om de sfeer van de prent in leven te houden - een sfeer van terugverlangen naar toen, toen film nog iets te betekenen had, toen de slechterik nog werd uitgejouwd en de goeien een applaus kregen. Dit is een film die alle filmfanaten een schouderklopje geeft en hen zegt: "je hebt groot gelijk. Want kijk eens wat een prachtige kunstvorm het toch is." Bij deze.
E-mailadres Afdrukken
 
Nuovo Cinema Paradiso
F-I / 1989
Regie: Guiseppe Tornatore
Scenario: Guiseppe Tornatore; Vanna Paoli
Met: Philippe Noiret; Marco Leonardi; Salvatore Cascio; Jacques Perrin
Duur: 155 min.


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST