Banner

Nixon

7.0
Dennis Van Dessel - 05 februari 2004

Nu men op tv méér beelden vertoont van dertig, veertig jaar geleden dan men dat dertig, veertig jaar geleden deed, kunt u regelmatig die bekende beelden zien van Richard M. Nixon die aftreedt in 1974: de "I am not a crook"-speech. Zijn vaarwelrede aan de natie, en vooral het beeld van Nixon die na z'n aftreden samen met z'n gezin een helikopter instapt, maar zich op het laatste moment nog even omdraait, en glimlachend wuift naar de verzamelde pers. Hij steekt z'n armen omhoog en maakt V-tekens met z'n handen. Het naïeve PR-gehalte van dat gebaar: iemand die àlles verloren is, die door niemand nog geloofd wordt, algemeen beschouwd wordt als een smet op het presidentschap als instituut... Maar die dan toch nog de schijn wil ophouden en met een geforceerd optimistisch adieu de aftocht blaast.

Gezien Oliver Stone's politieke overtuigingen (duidelijk uit films als 'Salvador' en 'JFK'), hield iedereen z'n hart vast voor 'Nixon', zijn biografische film over de meest geminachte Amerikaanse president van de twintigste eeuw. Men vreesde voor een drie uur durende polemiek, een eenzijdige tirade van Stone tegen de corruptie en de smerige deals die er plaatsvonden. Maar wonder boven wonder: het viel allemaal best mee. Stone zoekt geen excuses voor wat Nixon allemaal uitvrat tijdens zijn presidentschap (en daarvóór), maar hij is wel fair genoeg om redenen te gaan zoeken, persoonlijke motivaties die de karikatuur van de corrupte wereldleider overstijgen. Het resulterende beeld dat we van de man krijgen, is dan ook relatief sympathiek: hij is inderdaad geen crook, maar een slachtoffer van z'n eigen opvoeding, z'n eigen minderwaardigheidscomplex en paranoia. Geen schurk, maar een tragische figuur.

Het eerste uur van de film is meteen het zwakste: Stone springt heen en weer in de tijd tussen het losbarsten van de Watergate-affaire naar Nixons jeugd en vervolgens weer terug naar de periode waarin Watergate gepland en besproken werd. Dergelijke flash-backs en flash-forwards kunnen werken om het tempo van de film hoog te houden en de structuur interessanter te maken, maar hier werken ze vooral verwarrend. We worden plots geïntroduceerd aan een hele horde personages, complexe gebeurtenissen lopen door elkaar en zeker als Europees publiek, wordt het soms moeilijk om nog precies te weten wie wie is, en wie welke motieven heeft om wat te doen. Na ongeveer een half uur vindt de film evenwel z'n tempo, de chronologie wordt duidelijker en na een ietwat sputterende start, zijn we vertrokken voor een film die steeds beter wordt naarmate hij verder gaat.

In zwart-wit gefilmde flash-backs vertellen over Nixons jeugd bij zijn Quaker-ouders, diep religieuze mensen die hem opvoeden met de nodige, typisch christelijke, gevoelens van schuld en inadequaatheid. Hij verliest twee broers aan TBC, wat meteen de enige reden is waarom er geld voorhanden is om hem naar de universiteit te sturen. Tijdens een sleutelscène mompelt Nixon voor zichzelf dat hij enkel president is kunnen worden over hun lijken.

Later zien we zijn aanvankelijke tegenslagen in de politieke wereld: hij wordt verslagen in de verkiezingsrace, eerst voor het presidentschap, daarna voor de senaat. Verbitterd neemt hij afscheid van de politiek, tot een schaduwachtige figuur uit het Texaanse oliewezen hem overtuigt het opnieuw te proberen. Zijn lijdzaam toeziende vrouw Pat (schitterend gespeeld door Joan Allen), steunt hem in een nieuwe verkiezingscampagne en ditmaal winnen ze. Nixon, die nog steeds teert op zijn minderwaardigheidscomplex van kleinsteedse boerenjongen die het tot president geschopt heeft, betrekt het Oval Office - en van daaruit gaat het steeds bergaf.

Anthony Hopkins leek een onwaarschijnlijke keuze om Nixon te spelen - een Welshman die op z'n best zeer oppervlakkige fysieke gelijkenissen met de man vertoonde - maar levert een uitzonderlijke prestatie. Hij verstopt zich niet achter lagen make-up om de man tot leven te brengen, maar weet een consequente acteerprestatie op te bouwen. Hij creëert een geloofwaardig personage, waarbij we niet constant zitten te denken aan de echte man, zoals we die kennen uit nieuwsbeelden. Wat kan het dan schelen dat zijn kaaklijn niet zo geprononceerd is of zijn neus niet helemaal groot genoeg?

Stone omringt Hopkins met een pleiade aan bekende gezichten, die helpen om ons georiënteerd te houden in de uitgebreide, complexe politieke wereld die hij hier tot leven roept: James Woods, J.T. Walsh, Bob Hoskins, Ed Harris, Paul Sorvino en vele anderen duiken op, en geven de kijker een soort van houvast binnen al wat er gaande is.

Opvallend zijn de vele verwijzingen naar 'Citizen Kane' in de film: een nieuwssegment waarin een plechtstatige stem de carrière van Nixon tot op dat punt samenvat, lijkt verdacht sterk op het 'March Of Time'-newsreel dat Welles gebruikte voor 'Kane', en ook andere scènes (een dinerscène tussen Nixon en z'n vrouw, een moment waarop hij een beroerte krijgt), lijken sterk geïnspireerd door die film. 'Kane' ging over een journalist die op zoek ging naar het missende segment uit het leven van een mediamagnaat, die wilde uitvissen wat het nu was dat die man dreef, wat zijn geheime motivatie was, dat éne ding dat alles zou verklaren. Hij vond het niet. In 'Nixon' doet Stone in essentie hetzelfde. Richard Nixon had alles bereikt dat iemand ooit kon willen bereiken, en tóch liet hij het allemaal door z'n vingers glippen. We zien de president door de gangen van het Witte Huis sluipen, alsof hij constant in een oorlog verwikkeld is: hij tegen de rest van de wereld, die er onveranderlijk op bezien is hem tegen te werken en te vernederen. En waarom, wat is zijn "rosebud", wat is zijn motivatie? De herinnering aan z'n moeder, en de voortdurende wens om haar te bewijzen dat hij het wel degelijk kàn, dat hij dit allemaal waard is? Misschien. Dat typisch Amerikaanse "mannen huilen niet, mannen véchten"-gedoe? Misschien. In ieder geval zien we hier een man die zichzelf z'n hele leven heeft willen bewijzen. In een belangrijke scène zien we hem naar het schilderij van z'n aartsrivaal, Kennedy, kijken, en hij zegt: "Als ze naar jou kijken, zie ze wie ze willen zijn. Als ze naar mij kijken, zien ze wie ze zijn."

De gebruikelijke visuele spielereien die Stone naar de film brengt, zijn ditmaal relatief overbodig: veranderingen in filmstock, gebruik van overdreven kleuren, van zwart-wit enzovoort... Soms werkt het wel, maar in tegenstelling tot 'JFK' zijn er ook veel momenten waarop het simpelweg overbodig lijkt. Ook kan Stone zich, ondanks zijn beste inspanningen, soms niet inhouden en begint hij alweer te theoretiseren over complotten met Cubanen en de CIA om eerst Castro, dan Kennedy te vermoorden. Je voélt het publiek op dat moment zuchten en denken: "Hij is daar weer!"

Maar goed, dat zijn kortere momenten. 'Nixon' kan 'JFK' niet evenaren, maar het blijft een uitzonderlijk boeiende, goed gemaakte tragedie met soms Shakespeariaanse allures: de man die alles had en alles kwijtspeelde, omdat hij diep in z'n binnenste nooit geloofde dat hij alles verdiende.

E-mailadres Afdrukken
 
Nixon
USA / 1995
Regie: Oliver Stone
Scenario: Stephen J. Rivele; Christopher Wilkinson; Oliver Stone
Met: Anthony Hopkins; Joan Allen; James Woods; J.T. Walsh; Bob Hoskins; Powers Boothe; Ed Harris; Paul Sorvino; Mary Steenburgen
Duur: 192 min.


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST