Banner

BIFFF-Blog

Yirka De Brucker - 05 april 2018

Hoe het er aan toe gaat op het BIFFF, editie 2018, vraagt u? Welke films blijven hangen en hoe de sfeer is op dit waanzinnig levendige festival? Nog tot 15 april houdt (ydb) u op de hoogte via deze blog.

Niet alle films kunnen bekeken worden en een selectie maken valt ons zwaar. Toch hielden we tien films over die we zeker moeten zien. We houden alvast ons hart vast, want twee weken lang in de donkere Bozarzalen zitten, omringd door allerhande vreemde wezens -- naast de monsters en vampieren is het publiek van het BIFFF op zich er ook één om u tegen te zeggen -- belooft ook bij ons voor een metamorfose te zorgen. Gelijkgestemde zielen komen hier samen en wie doorheen het jaar wellicht vreemd bekeken wordt voor het schaterlachen bij een zoveelste bloederige amputatie op het witte doek, vindt hier honderden deelgenoten. Het groepsgevoel op BIFFF is ongeëvenaard. Schaamteloos worden tijdens de vertoningen commentaren geroepen, luidkeels krijsen bij een schrikmoment is een must. Wie hier zit, doet dat met een goede reden. Dit is niet zomaar een uitje naar de bioscoop met luidruchtige snacks, maar het gevolg van een dwingende liefde voor genrecinema. De films die hier vertoond worden, komen meestal niet in roulatie en dit is dus de enige kans om ze op groot scherm te zien. En dus vinden we in de persruimte geen ijverig schrijvende journalisten, maar tal van computers waar zombieachtige cinefielen de gemiste films alsnog tussendoor pogen te bekijken. Glamour moet je hier niet verwachten, wel zingende cineasten in luiers. En uw vrouw-ter-plaatse. Welkom op het BIFFF!

Woensdag 4 april: een meesterwerk als aperitief

altDe appetijt aanscherpen doen we alvast met een klassieker die zijn genre volledig hervormde. Er is thriller vóór en thriller na I Saw the Devil (2010) van Jee-Woon Kim, van wie hier retrospectief nog twee films vertoond worden. I Saw the Devil is een ode aan de kleur van rondspattend bloed, een ijzersterk verhaal over de waanzin van wraak, een opera van geweld. De openingsscène is er ook eentje om in te kaderen, met bloedsporen van het weggesleepte slachtoffer in parelwitte sneeuw.

Dat lijk is de dochter van een detective; haar verloofde is een geheim agent die wraak wil nemen. De spanning van deze meer dan twee uur durende film kent enkel piekmomenten en Jee-Woon Kim weet je voortdurend op het puntje van je stoel te houden. Choi Min-sik herkennen we in de rol van seriemoordenaar uit het eveneens klassieke Old Boy van Park Chan-wook, en ook elders krijgen we herinneringen aan diens prent. De martelingen hebben een gelijkaardige lichamelijke impact op de toeschouwer en de hoofdpersonages in deze Zuid-Koreaanse wraakverhalen zijn al even gek. Voor elke nieuwe moord kiest de psychopathische seriemoordenaar zijn wapen, dat steeds bij de setting past, zorgvuldig uit. In een met licht overgoten serre, waar moordenaar en geheim agent elkaar voor het eerst ontmoeten, mag een sikkel de wonden aanrichten.

Jee-Woon Kim en zijn cameraman Lee Mogae behouden een volledige controle over de beweging, het ritme en de veranderende toonaarden van I Saw The Devil. Deze beheersing reflecteert het gemoed van de psychopaat, terwijl een rauwe emotionele ondertoon tegelijk resoneert met de gevoelens van de agent. En net zoals in de films van Michael Mann of in Silence of the Lambs begint de agent steeds meer het monster te worden dat hij achtervolgt. Met een psychopaat die iedereen zelf ‘compleet gestoord’ noemt, is de waanzin dan ook alomtegenwoordig.

In dit kat-en-muisspel draait het om het pure plezier van de jacht. De lijken stapelen zich letterlijk op, de grenzen tussen goed en kwaad vervagen meer en meer. Toch blijft het langdurige extreme geweld draaglijk, doordat de film visueel zo overdonderend is. Neem daarbij een BIFFF-publiek dat getraind is in het omgaan met rollende hoofden, en er wordt eens goed gelachen als de spanning té hoog oploopt.

Donderdag 5 april: vechten tegen innerlijke reuzen

alt

Voor I Kill Giants, dé grote hit van de avond over een klein meisje dat tegen reuzen vecht, vormen zich in de Bozar ellenlange rijen en is de zaal tot de nok gevuld. Velen verwachten een avonturenfilm, maar ze krijgen een sprookje te zien dat -- zoals vaak in het genre -- eigenlijk een psychologisch drama is. Dit is de eerste langspeelfilm van Anders Walter, de Deense regisseur die in 2014 een Oscar won met z’n kortfilm Helium. Ditmaal zet hij het stripverhaal I Kill Giants van Joe Kelly en J.M. Ken Niimura om naar het grote scherm.

De intelligente en welbespraakte Barbara Thorson vecht in deze Belgische coproductie met reuzen en titanen. De vlucht van kinderen in een fantasiewereld is niet nieuw in film: denk aan de klassieker The Wizard of Oz, of recenter A Monster Calls, waar I Kill Giants sterk aan herinnert. Madison Wolfe schittert in haar vertolking van Barbara: een moedig geek-meisje dat tegen een diepe wonde vecht. In haar eentje speelt ze Dungeons and Dragons en verplaatst ze de wezens naar haar eigen realiteit. Wanneer de reuzen naderen, slaat de sfeer van de film volledig om. Toch weet Walter de breekbaarheid van het verhaal te behouden in deze magische, fantasierijke wereld die sterk contrasteert met het onbegrip van de volwassenen. Fantasie en realiteit vloeien mooi in elkaar over en met een beperkt budget weet de film enkele indrukwekkende special effects te verwezenlijken. De fotografieleider, Rasmus Heise, plaatst de geladen maar toch subtiele emotionaliteit in een panoramische setting van kustlijnen en mistige bossen.

Kinderen die de duistere kanten van het leven omarmen: zoiets zien we vandaag de dag minder dan pakweg in de jaren ’80. Door te vechten tegen monsters proberen deze kinderen de demonen in zichzelf te vernietigen. Barbara deinst niet terug voor dit gevecht. Zal ze slagen in haar queeste?

De puzzelstukjes vallen op een gestage en intelligente manier in elkaar. Toch worden sommige scènes wat overbenadrukt en lijken de stukken waarin Barbara niet verschijnt geïsoleerd van de rest van de film. Het einde is wat langdradig en melancholisch, hetgeen het BIFFF-publiek luidkeels duidelijk maakt. Maar de sterke fotografie, de onvergetelijke acteerprestaties, de geslaagde special effects en het mooie evenwicht tussen moed en breekbaarheid konden rekenen op groot enthousiasme en een oorverdovend applaus.

Maandag 9 april: een week BIFFF in een notendop

altDe eerste week van het BIFFF is voorbijgevlogen in een waas van fantasie. De sfeer zat er vaak goed in, maar toch is de snelle groei van het festival voelbaar, zoals wanneer iemand zich -- wat een contradictie --- luidkeels tegen het publiek opwindt over de commentaren tijdens de films. Daar gaat het hier net om, zoals we u al vertelden.

Deze week zagen we onder andere de absurd grappige Noorse vampierenfilm Vidar The Vampire, waarin we het resultaat van de blootstelling aan de zon van dergelijk wezen eindelijk mochten bewonderen. Verder was er een Spaanse persiflage op het theater te zien (Dhogs) die zo een mislukte metafilm werd, en een melancholische klucht over een gestorven kind (The Nightmare). Blue My Mind was dan weer een van die in vale kleuren getinte, trage en wat bevreemdende maar al zo vaak geziene films over het seksuele ontwaken en de transformatie van een jong meisje. Niet alles was van hetzelfde kaliber, maar naast de op deze blog besproken pareltjes ontdekten we toch nog zeker één cultfilm in wording.

Het vampierenbal ontheiligde de hal van de Bozar en iedereen kon het resultaat van zijn persoonlijke metamorfose van de eerste week demonstreren in een gezamenlijke uitbarsting van demonische dansen.

Dinsdag 10 april: meisjes zijn aliens

Op filmvlak werd I Kill Giants de grote verrassing van het festival -- naast het ondertussen als klassieker bekroonde I Saw the Devil. En toch was het echte hoogtepunt How To Talk To Girls At Parties, een film die u binnenkort zelf in de zalen kunt gaan bewonderen.

altMeisjes zijn aliens voor onervaren, naïeve puberjongens. In het geval van How To Talk To Girls At Parties is dit nogal letterlijk te nemen. Enn (Alex Sharp) is een door punk geobsedeerde jongeling die zijn dagen spendeert in zijn van posters uitpuilende boomhut en zijn nachten doorbrengt op punkconcerten in het Engeland van 1977. Regisseur van dienst, John Cameron Mitchell, baseert zich op het kortverhaal van Neil Gaiman en creëert een mix van filmische poëzie en buitenaardse humor. How To Talk To Girls At Parties wordt zo een combinatie van de punkwereld en science fiction-concepten uit de jaren 1970 (denk aan The Man Who Fell To Earth), al roept de prent bij momenten ook herinneringen op aan foute muziekvideo’s uit de jaren 1980.

How To Talk To Girls At Parties is een romantische coming of age-komedie over puberliefde en problematische ouders, een period piece over het punktijdperk in Engeland en een science fiction-film die onderwerpen aansnijdt als de ecologische crisis en de overbevolking, waarvoor de buitenaarde wezens in hun eigen kolonies trouwens een ingenieuze oplossing hebben bedacht.

How To Talk To Girls At Parties toont de prille liefde van Enn, die met zijn twee vrienden op het verkeerde feestje belandt. Een eerste liefde is altijd wat onhandig, zeker als je vriendinnetje niet vertrouwd is met de conventies van deze planeet. Elle Fanning speelt een rol die haar op het lijf geschreven is als Zan, een alien die de genoegens van de wereld wil ontdekken, en daarvoor van haar soortgenoten 48 uur de tijd krijgt. Haar kolonie verblijft immers tijdelijk op onze planeet in een klinisch proper herenhuis, wat een mooi contrast biedt met de ruwheid van de punkconcerten. Kostuumontwerpster Sandy Powell hult de aliens in indrukwekkende fluo latexpakjes (James Cameron of Steven Spielberg zijn ver weg) waarin ze vreemde, hypnotiserende acrobatische dansen uitvoeren. Zan zet zich als goede puber af tegen haar kolonie en ook Enn leeft in een subcultuur waar anarchie heerst. Samen gaan ze in tegen maatschappelijke conventies.

altJohn Cameron Mitchell maakte eerder al de rockmusical Hedwig And The Angry Inch. How To Talk To Girls At Parties is zijn eerste langspeelfilm in zeven jaar. Op Cannes werd hij door critici eerder negatief ontvangen, maar het BIFFF is vermoedelijk een betere setting om deze film te kunnen appreciëren. Want ja, Mitchell lijkt de punkscene misschien wat oppervlakkig weer te geven, maar dat lijkt eerder een bewuste keuze om meer te kunnen focussen op de buitenaardse kant van het verhaal. De naïeve weergave van de subcultuur past goed bij de bewonderende houding van Enn en van Zan, die zo mooi aan hem vraagt “Do more punk to me”.

Zo is How To Talk To Girls At Parties in zekere zin lelijk en fout te noemen en de film is bij momenten zelfs experimenteel en anarchistisch. De latex kostuums, de karikaturale setting, de typische pubers en de opzichtige grapjes doen de film door zijn zelfrelativering juist goed. How To Talk To Girls At Parties is trashy en dat mag. Bewonderenswaardig is dat er op geen enkel moment wordt vervallen in een nostalgische hunkering naar de vrijheden van het verleden. Daarbij komt dat de camerabewegingen goed overeenstemmen met de algemene houding van de film: veel bewegingsvrijheid, experiment en de camera zelf neemt ook vaak bevreemdende standpunten in.

In de scene waarin Zan op het podium van de club van punkkoninging Bodicaea – een minder geslaagde rol van Nicole Kidman, compleet met bespottelijk Brits accent -- transformeert tot een echte punkster en Enn haar schreeuwend bijstaat, komt de film terecht in een hallucinogene trip die het midden houdt tussen een experimentele kunstfilm en een muziekvideo. Er werd in de zaal gelachen om de absurditeit van dit tussenstuk, maar het paste toch in het geheel. How To Talk To Girls At Parties weet een lichtheid en vrolijkheid te behouden zonder zijn kracht te verliezen.

Woensdag 11 april

Het festival schrijdt voort, het einde nadert en dat is ook goed. Krakende deuren en stemmen die je naam fluisteren zijn ondertussen een dagelijkse realiteit geworden. De voorbije dagen leverden sterkere en mindere films op. Maar we ploegen verder.

Het minst boeiende dat we op dit festival zagen was Charismata, dat van een feministisch detectiveverhaal overging in een expliciete duiveluitdrijving. Het einde was niet om aan te zien, zodat bij de aftiteling voor het eerst dit jaar zwaar boegeroep te horen was. Een pak sterker was The Cured, dat verhaalde wat er gebeurt met zombies als ze zouden ‘genezen’ maar zich hun daden levendig herinneren: een mooie allegorie over een fascistische maatschappij waarin de voormalige zombies een rebellengroep geworden zijn. De beeldvoering maakt veelvuldig gebruik van deur- en raamopeningen, wat dan weer wel een mooie verwijzing is naar de voyeuristische kracht van cinema.

altFive Fingers from Marseille liet dan weer archetypische westerniconografie in knappe breedschermcomposities zien. Ja, een cowboyprent, maar dan wel één uit Zuid-Afrika die zich traag ontrolt en waar verroeste fietsen de antihelden vervoeren in plaats van paarden. De protagonist keert terug naar zijn dorp na twintig jaar gevangenschap en met vele littekens en een steviger huid zal hij zich verzetten tegen de nieuwe corruptie die de blanken van weleer heeft vervangen. Sterk begin, maar toch ietwat overdreven dramatisch naar het einde toe.

Donderdag 12 april

Tigers Are Not Afraid mag u toevoegen aan de top drie van hedendaagse films op dit BIFFF. Sinds de drugsoorlog van 2006 in Mexico is er niet veel veranderd, en grootste slachtoffers daarvan zijn onder andere straatkinderen die zonder ouders achterblijven en limbodansen onder de politietape rond de lijken op straat. Dit duistere sprookje van Issa Lòpez ontrolt zich in een stadsjungle waarin hedendaagse technologie een centrale rol speelt. Voordien maakte de regisseur voornamelijk komedies maar afgaand op deze film schrijft en regisseert ze ook moeiteloos het fantasy-horror genre. Tigers Are Not Afraid is gehuld in hevig gesatureerde kleuren, en speelt zich af in vervallen gebouwen en straten. Daarin dwalen de jonge hoofdrolspelers rond, die inzake prestaties niet moeten onderdoen voor hun voorgangers in de klassiekers van Jean Renoir of Satyajit Ray. Estrella (Paola Lara) verliest haar moeder en zoekt haar toevlucht bij de straatkinderen uit de buurt, maar die worden door maffiabazen belaagd, voor hun plezier.

altLòpez weet de onschuld van deze kinderen op een diep ontroerende manier te vatten in een virtuoos spel van licht en schaduw. De onstabiele handheld camera komt goed overeen met de gemoedstoestand van de kinderen en heeft een breekbare kwaliteit. De sfeer is surrealistisch: dagelijkse toevalligheden maken de wereld interessant. Daarbovenop is de fantasie van de kinderen ditmaal geen escapisme maar een versterking van hun afschuwelijke realiteit. Brandende vleugelpiano’s in leegstaande warenhuizen en goudvissen in plassen vormen het bevreemdende decor, en tijgers zijn doorheen de film aanwezig in allerhande vormen, van de graffiti die het meisje zet, tot knuffelbeertjes van dode kinderen die tot leven komen.

Tigers Are Not Afraid bewijst nogmaals dat dit genre geen manier is om de wereld te ontvluchten, maar juist om hem te begrijpen. Lòpez' fantasydebuut combineert maatschappelijke corruptie, een kinderlijke onschuld en een wondermooie fantasie en laat je achter in verwondering. De vulkanische kracht die haar prent drijft, brengt boodschappen over de wereld aan, zonder ze al te nadrukkelijk in de verf te zetten.

Vrijdag 13 april

Geen betere datum dan deze ongeluksdag om een horrorfilmfestival te bezoeken. Zijn de angsten op het scherm geen uitdrukking van ieders verborgen kanten? En kunnen we doorheen deze personages niet doen waar we zelf van dromen, maar niet durven?

altVandaag is de beste film Yurigokoro van Naoto Kumazawa, een narratief zwaarbeladen verhaal over familiegeheimen. Met de portrettering van een meisje dat graag moordt krijgen we alweer een sterk begin, maar de prent vervalt helaas dra in een melancholische klucht waarin de tranerigheid hoogtij viert. Yurigokoro probeert verassend te zijn maar slaagt hier uiteindelijk toch niet volledig in. “On s’en fout” wil het BIFFF-publiek bijna roepen, maar daarvoor is het verhaal dan toch gecompliceerd genoeg. Heden en verleden worden op een knappe manier in elkaar geweven en zo blijft het verhaal ondanks alles boeien.

BIFFF zondag 15 april

Op deze laatste dag van het festival (ons hart bloedt) ging het in de films van haat naar liefde. Haat dan maar? Downrage volgt een simpel sjabloon dat al honderden keren is vertoond in het horrorgenre: een groep naïeve jongeren strandt met autopech ergens in the middle of nowhere. De introductie is minimaal. We weten dat de groep via carpooling samen in de auto is beland en vanaf minuut één is er dreiging voelbaar door de minimale soundtrack en een camera die zich als een luipaard vanuit het hoge gras sluipend voorbereidt voor de aanval.

Dan ontploft het: letterlijk en van binnenuit. De camera schiet door het opengeschoten brein van het eerste slachtoffer, vreemde camerastandpunten vanuit extreme hoeken brengen ons in de war. Al snel valt een tweede slachtoffer, een meisje wiens oog er op sappige wijze uitspringt door de druk van het bloed in haar hersenen. Downrage vliegt erin met een onvoorstelbare rauwe energie en pretendeert niets meer te zijn dan wat hij is: what you see is what you get. Net daarom werkt het ook onvoorstelbaar goed. De onbekende acteurs zijn niet de grootste klasbakken, maar dat maakt alles enkel amusanter. Ook al lijkt de focus van de film te hengelen naar onze sympathie voor de slachtoffers, u kan zich voorstellen voor wie het BIFFF-publiek supporterde. Dit is bij uitstek een film die aantoont wat een regisseur met het nodige talent (Ryûhei Kitamura) vermag met nochtans zeer beproefd materiaal.

Maquia: When The Promised Flower Blooms, het regiedebuut van de gerenommeerde Japanse scriptschrijfster Mari Okada, verhaalt over het oneindige leven, de dood en de rol van moeders. Met deze diep ontroerende prent haalt ze bijna het niveau van Ghibli-films als Howl's Moving Castle of The Tale Of The Princess Kaguya. Maquia is lid van een clan oeroude mensen die vanaf hun adolescentie niet meer ouder worden. Ze weven hun verhalen in fijne tapijten bijna zoals de schikgodinnen of de Moirai uit de Griekse mythologie. Van de mythische wereld van Maquia blijft er echter niet veel meer over, want er wordt op haar clan gejaagd. Ze was nochtans gewaarschuwd nooit van een sterveling te houden, maar wanneer ze weet te ontsnappen aan haar achtervolgers, vindt ze een baby in de koude handen van zijn dode moeder. Wat kan ze anders doen dan hem loswrikken en van hem houden, maar zal ze de moederrol kunnen vervullen?

In se handelt Maquia: When the Promised Flower Blooms over verboden liefde, wat de film een bevreemdend kantje geeft. Toch wordt de verliefdheid tussen de immer jonge moeder en de gevonden zoon nooit expliciet gemaakt en de film laat ons nogmaals begrijpen dat er veel verschillende vormen van liefde bestaan. Maquia is van een onwaarschijnlijke visuele kracht en biedt een immense rijkdom aan prikkels en referenties met verschillende directe verwijzingen naar motieven uit de impressionistische schilderkunst (de houten brug in het dorp is nagenoeg dezelfde als op een Van Gogh-schilderij). De steden en draken doen dan weer denken aan The Lord Of The Rings en de berglandschappen aan die van Hayao Miyazaki. Okada weet de voorbijgaande tijd in een wondermooie montage te vatten. Door haar eigen problematische verleden lijkt Okada een voorliefde te hebben voor door het leven beschadigde mensen die hier sterker weten uit te komen. De protagonisten zijn allen eenzaten die elkaar toch weten te vinden.

Het mooiste element in de film is misschien het gebruik van licht, zoals wanneer de zon een gouden aureool rond Maquia's ontroerende gezicht legt. Even opvallend is de manier waarop Okada de kracht van expressionistische camerabewegingen weet aan te wenden. Dit legt ook de nadruk op de specificiteit van het filmmedium en maakt het duidelijke onderscheid tussen de statische inspiratiebronnen uit de schilderkunst en de manga en de vertaling ervan in een ander medium -– film.

Tot slot enkele bedenkingen aan het eind van twee weken BIFFF: de pure rebellie en anarchie uit de beginjaren van het festival mogen dan een klein beetje afgenomen zijn, toch steekt dit festival er zowel op vlak van sfeer als op vlak van programmatie bovenuit dankzij het betoonde lef. Opvallend: twee van de beste films (Tigers Are Not Afraid en Maquia) werden door vrouwen geregisseerd en de drie beste gingen over kinderen. Tigers viel -– terecht -– tweemaal in de prijzen. Het volledige palmares kan u vinden op bifff.net.

E-mailadres Afdrukken
Tags: BIFFF 18