Nederjazz Connection, Pt. 3 :: Jaap Blonk / Kontrans

Componist, stemkunstenaar, dichter en performance-artiest Jaap Blonk een jazzmuzikant noemen zou misschien wat ver gaan (ook al kon je ‘m een hele tijd geleden ook horen op altsaxofoon), maar in zijn experimentele wereld is er wel plaats voor improvisatie en samenwerkingen met muzikanten die regelmatig met een been in de jazz staan. Blonk is ook actief met zijn label Kontrans, waar recent een handvol opvallende en vooral ook radicaal verschillende releases verschenen. Samen vormen ze een indrukwekkende staalkaart van Blonks markante actieradius.

Frank Rosaly’s ¡Todos de Pie! – S/t

Een project van drummer Frank Rosaly dat een onvergelijkbaar resultaat opleverde. Rosaly was actief in de jazz/improvisatie en experimentele muziek in een rond Chicago, tot hij in 2016 naar Amsterdam verhuisde. In 2012 verkreeg hij echter ook een commissie voor een bijzonder project dat voorgesteld werd in Millennium Park en twee dagen later werd opgenomen in de studio. Dat het onlangs pas verscheen is op z’n zachtst gezegd merkwaardig, of het zou al moeten betekenen dat niemand goed wist wat ermee aan te vangen. Geïnspireerd door gesprekken met Billy Higgins en een duik in zijn eigen Puerto-Ricaanse roots, ging Rosaly op zoek naar muziek die een sociale, verbindende functie had. Een hommage aan muziek vol verhalen, maar ook grooves en dans.

Hij dook in de rijke Puerto-Ricaanse traditie, maar in een beweging ook in andere Carribische tradities, zoals die van Cuba. Al belandde hij ook bij onder meer Marc Ribots Los Cubanos Postizos. Hij verkende de specifieke ritmes en eigenaardigheden van specifieke stijlen als bomba, plena, guaracha en mambo, en besloot een resem klassieke dansstukken op te nemen met een octet en een extra percussiekwartet. In dat octet vooral collega-improvisatoren uit Chicago, maar ook een riskante, maar gouden zet: de aanwezigheid van Jaap Blonk. De man spreekt een aardig woordje Spaans, maar is de levende nachtmerrie van de purist. Wat Blonk hier uitvreet tart regelmatig de verbeelding, maar is op een of andere manier ook weer toepasselijk, omdat hij zowat Rosaly’s eigen ongemakkelijke relatie tot zijn wortels belichaamt.

De acht stukken komen allemaal langs met een rauwe, rafelige charme, gestuwd door opzwepende, soms trance-achtige ritmes en voorzien van onweerstaanbare thema’s, uitgevoerd door trombones, fluit en cuatro. Soms is het feest vrij rechttoe-rechtaan, zoals in het compacte bruisfestijjn van “Fricase de Conejo”, maar vaker gebeuren er bijzondere dingen. Zo bevatten meerdere stukken ambient-achtige, onheilspellende passages en elektronische bewerkingen (gemanipuleerde harmonica’s in “Martinez Nadal”, broeierige Rhodes in “Quejas del Ausente”) of een lichtjes surreële droomsfeer (“Cantares de la Sierra). Elders wordt uitgehaald met loeiende metal (“Que Dulces Son Las Canciones”) die een onwaarschijnlijk samengaan vormt met triomfantelijke melodieën en ritmes.

Op zich al een merkwaardige en persoonlijke interpretatie van traditionele muziek, al is het vooral de aanwezigheid van Blonk die dit album zijn unieke status bezorgt. Hij struikelt als een verloren gelopen dolleman doorheen de composities, fleemt zijn weg door lome, wellustige thema’s, brengt eigenhandig het boeltje aan het wankelen, beleeft de tijd van z’n leven (je hoort de vreugde in “Fricase de Conejo”), creëert cartooneske waanzin (“Kijis Konar”) en vertelt maffe bedtijdverhaaltjes. Het geeft Rosaly’s ¡Todos de Pie! (wat zoiets betekent als “Iedereen opstaan!”), dat ook zonder Blonk al een intens persoonlijk project zou zijn, een dimensie die het compleet uniek maakt.

 

Ute Wassermann, Jaap Blonk & Michael Vorfeld – S/t

Tussen de soloreleases, albums van Braaxtaal en samenwerkingen met onder anderen Maja Ratkje en Machinefabriek, bevat Kontrans ook een ‘Improvisers’-serie, die Blonk laat horen met collega-improvisatoren. De reeks startte in 1996 met een intussen klassieke release van Blonk met Mats Gustafsson en Michael Zerang, en is intussen toe aan zijn zevende deel. Daarop is Blonk (stem, elektronica) te horen met Ute Wasserman (stem en een hele resem fluitjes en andere voorwerpen) en Michael Vorfeld (percussie en ‘string instrument, light bulbs, electronic devices’), twee artiesten die vooral actief zijn in Berlijn, waar deze opname ook gemaakt werd.

Wassermann, een graag geziene gaste op heel wat festivals voor vrije muziek, past in het rijtje van stemkunstenaars als Isabelle Duthoit en Phil Minton, die doorgaans ook in akoestische/analoge vaarwateren blijven (terwijl Blonk zich regelmatig te buiten gaat aan prominent gebruik van soms duizelingwekkende elektronica) en blijven morrelen aan de reikwijdte van de vocalist. Het gaat daarbij niet enkel om de klassieke woordeloze uithalen, maar om kirren, kreunen, grommen, sissen, smekken, smakken, grienen, snotteren, reutelen en de talloze gradaties ertussen. De claustrofobie van opgesloten te zijn in een stofzuiger met een Mongoolse keelzanger. Het is geïmproviseerde klankkunst die soms graag linkt naar het rijk der dieren (er lijkt een volière om de hoek te staan en Donald Duck is heus niet alleen), maar net zo vaak uitpakt met amechtig gehijg, pseudo-rites, bezeten wartaal, pure nonsens en angstaanjagende doodsreutels (het gelaat van m’n 12-jarige dochter sloeg lijkbleek uit bij het horen van enkele passages).

Zelfs in z’n meest conventionele momenten, wanneer de interactie het meest reactief en tastbaar is, blijft dit natuurlijk spel naar de bek van een bescheiden publiek van hardcore impro-liefhebbers, maar die voortdurende transformaties zorgen ervoor dat je de oren blijft spitsen. In sommige van de dertien stukken, waarin de druppelende, suizende en 100% turelute elektronica naar de voorgrond komt, wordt er bovendien gewerkt met een zinderende spanning. De voornaamste bedenking die je je maakt, is dat dit bij uitstek een vorm van vrije muziek is waarbij het visuele element een enorme meerwaarde biedt. Niet enkel om te achterhalen waar de klanken vandaan komen en hoe ze geproduceerd worden, maar ook omdat je dan de elastische mimiek erbij krijgt, want die maakt er onlosmakelijk deel van uit.

 

Jaap Blonk – Antonin Artaud: To Have Done With The Judgement Of God

De invloed van dramaturg, dichter, acteur en toneelregisseur Antonin Artaud is in eerste instantie voelbaar binnen het avant-garde theater, maar met concepten als zijn “théâtre de la cruauté” reikt die invloed veel verder. Talloze componisten lieten zich door hem inspireren (samen met o.m. Bataille en Genet is hij ook zeer aanwezig in het oeuvre van John Zorn), terwijl de invloed doorsijpelt in het werk van pakweg Swans of andere transgressieve performers. Zo ook Jaap Blonk, die zich al vroeg liet inspireren door het oeuvre van de Franse pionier. Al in de jaren tachtig nam de onervaren performer werk van Artaud op en ook bij deze nieuwe release benadrukt hij diens belang, dat hem stimuleerde om grenzen te overschrijden, recht de waanzin in.

Grenzen overschrijden is ook waar deze uitvoering om draait. Pour en Finir avec le Jugement de Dieu was een radiohoorspel dat Artaud opnam in november 1947, maar aanvankelijk geweerd werd van de radio. Daarvoor was het te extreem: scatologisch, anti-Amerikaans, anti-religieus en gewoon te willekeurig. Het was de laatste kramp van een even visionair als geplaagd artiest, want Artaud, die tot kort ervoor geïnterneerd was en zelf geplaagd werd door waanbeelden, gewelddadige uitbarstingen en het uitstoten van wartaal, stak het werk vol met zenuwslopende schreeuwen, kreten, gegrom, woeste uitvallen en nonsensklanken (en hij stierf in maart van 1948). Spek naar de bek van een artiest die van klankpoëzie (check bvb. Klinkt, een boek+2cd dat verscheen bij de Belgische uitgeverij het balanseer, of zijn bewerkingen van klankgedichten van Hugo Ball met bassist Damon Smith) zijn hoogst persoonlijke kunst maakte.

Blonk baseert zich op een Engelse vertaling van het stuk, maar haalt er ook andere teksten van Artaud bij en improviseert hier en daar verder op stukken klankpoëzie. De elektronica gebruikt hij om een onderliggende klanklaag te voorzien, maar ook om de eigen stem te bewerken. En het moet gezegd: het resultaat, een uurtje uithangen in de marge van de experimentele muziek, is bij momenten ronduit ijzingwekkend. Hordes metalbands hebben zich al voorgenomen om de meest duistere, uitdagende en soms angstaanjagende muziek vast te leggen, maar ze moeten het afleggen tegen deze Nederlander met zijn onwereldse stemtechnieken en intensiteit als performer.

Meer nog dan de ketterse tekst van Artaud is het de stem, dat bevrijde instrument van Blonk, dat hier bepalend is voor de beleving. En dat is het: beleven. Hier kan je als luisteraar niet anders dan ondergaan, je laten overrompelen door deze afwisselend manische, theatrale en hypnotiserende performance. Dit voelt als afdalen in de geest van een artiest die de laatste ketens en beperkingen van zich afwierp, niets en tegelijk alles te verliezen heeft. Waanzin of luciditeit in deze soms brutale scheiding van taal en betekenis, wie zal het zeggen? Een proeve van meesterschap verstopt in een alarmerende mindfuck van jewelste.

Zowat gelijktijdig met deze release verscheen in een gelimiteerde oplage van 100 stuks ook nog Antonin Artaud, een boek met visueel werk van Blonk, gebaseerd op klankgedichten van Artaud, aangevuld met een cd met 49 tracks, eentje voor bij elke tekening.

 

Jaap Blonk’s Retirement Overdue – New Start

Er doen online filmpjes de ronde waarin muziek gesynchroniseerd werd met de onvoorspelbare lichaamsbewegingen van overactieve burgers. Het heeft een geslaagd komisch effect, met een ongrijpbare cadans, en muziek en beweging die voortdurend spurtjes trekken, horten en stoten, knoestig kronkelen. De muziek op deze dubbelaar doet daar regelmatig aan denken, ook al is ze dan het product van vier muzikanten. In opener “New Start” voeren Blonk en zijn kompanen een compositie uit die zich niet aan banden laat leggen door een maatsoort, maar wel hyperstrak wordt uitgevoerd. Het effect is er een van lichte vervreemding met traditionele middelen.

Het zegt al iets over de ongewone aanpak van dit kwartet, opgericht door Blonk om zijn 65e verjaardag en pensioengerechtigde leeftijd te vieren met een knipoog én een eerste echte ‘band’ in lange tijd (vermoedelijk sinds cultproject Braaxtaal ontbonden werd). Daarvoor laat de performer zich bijstaan door Miguel Petrucelli en Jasper Stadhouders (beide op basgitaar en gitaar) en drummer Frank Rosaly, diezelfde van een paar albums hoger. Samen banen ze zich een weg langs een parcours dat hier en daar verrassend dicht de jazz benadert (“No Go Area”) of even blues à la Billy Jenkins aansnijdt (“I Saw A Wobbzag”), maar doorgaans te dwars is om zomaar te labelen.

De insteek met de verkrampende ritmes herhalen ze een paar keer (“My First Nightmares”, “About Itself”…), maar elke keer met een andere insteek; nu eens met een herkenbare taal en dan weer met pure klankbarrages van Blonk. Soms wordt die klankpoëzie omspeeld door de rest (“Kterg”, waarin de tekst lijkt op Nederlands, maar iets helemaal nieuw is – Onderlands?), maar net zo vaak kan je spreken van echte interactie, met stem en drums die een dialoog opstarten in “Talking Drum” en vervolgens gezelschap krijgen van kringelende gitaren die het zowaar een Latin-toets geven. In Stadhouders’ lekker pompende compositie “Rápido Y Leve” mag Blonk z’n beste Spaans nog eens bovenhalen, terwijl diens bijdrage in het duister-broeierige titelnummer ronduit cathartisch is. Geen idee trouwens, wat Bernstein zou denken van de theatraal gecroonde, voortdurend op de grens van implosie balancerende versie van “Somewhere” (uit West Side Story). Weinig goeds, waarschijnlijk.

Het album bevat ook vier compacte stukken die helemaal geïmproviseerd werden door het kwartet, en daarin speelt vooral Blonks elektronica een meer centrale rol. Net als bij de vorige releases valt op dat hij ook daar een buitengewoon inventief improvisator is. Geinige bonus zijn de twee versies van “What The President Will Say And Do”, eigenlijk een herhaling van die ene zin, die de ene keer wordt opgeslorpt langs achter en de andere keer langs voor. Het is slechts een van de vele inventieve ingrepen op een album dat met een speelduur van meer dan anderhalf uur best een stevige brok is om uit te zitten, maar nooit zwaar op de maag gaat liggen. Daarvoor is de interactie te fris, de ideeën van Blonk & co. te wispelturig.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 5 =