Cicero :: Fatsoen (De Officiis)

Marcus Tullius Cicero leefde in de eerste eeuw v.C. ten tijde van Julius Caesar en geldt samen met hem nog steeds als een van de meest gelezen auteurs uit het Romeinse rijk, niet in het minst omdat talloze studenten Latijn ongetwijfeld een van zijn vele teksten onder ogen zullen hebben gekregen. Met recht en rede wordt Cicero overigens nog steeds beschouwd als een van de grote auteurs uit de oudheid, in die mate zelfs dat men wel eens beweert dat alle literatuur die na hem kwam zich ofwel tegen hem afzette dan wel zijn stijl probeerde te evoceren en dat die invloed zich niet eens beperkte tot het Latijn.

Nochtans zag Cicero zichzelf in de eerste plaats als politicus eerder dan als orator of advocaat, twee rollen die hem faam en succes opleverden. Veel van Cicero`s geschriften omvatten dan ook politieke reflecties en aanvallen op wat hij als vijanden van de republiek zag. De bekendste daarvan vormen ongewtijfeld de Catilinarische redevoeringen, gericht tegen Catilina en geschreven op het moment dat Cicero als consul over Rome heerste. Voor Cicero vormde Catilina een bedreiging voor de republiek, net zoals later ook Caesar dat vormde. Cicero`s gok om Caesars tegenstander Pompeius te steunen, liep weliswaar verkeerd af maar Caesar toonde zich opvallend vergevingsgezind en Cicero wa enkel zijn politieke invloed kwijt. Na de dood van Caesar koos hij de kant van de jonge Octavianus (de latere Augustus),tegen Caesars voormalige generaal Marcus Antonius. Cicero verwachtte niet alleen Octavianus te kunnen manipuleren maar ook snel aan de kant te kunnen schuiven eens de republiek gered was..

In veertien geschriften, bekend als de Phillipicae, pleitte hij dan ook in scherpe bewoordingen tegen Marcus Antonius,. Helaas voor hem echter was Antonius niet alleen minder vergevingsgezind dan Caesar maar sloot die ook een akkoord met Octavianus waarbij ze elkaar toelieten met een aantal tegenstanders af te rekenen. In 43 v.C. trekt Cicero in ballingschap (een courante straf voor wie in ongenade gevallen was) en werkt hij aan De Officiis (vaak vertaald als Over de plichten). Voor Antonius was de vlucht echter niet voldoende, hetzelfde jaar nog wordt Cicero gedood en zijn hoofd en handen (Cicero was immers een bekend auteur en orator) op het Forum tentoon gesteld. Of Cicero zichzelf er van bewust was dat hij met dit werk een soort van intellectueel testament schreef, valt niet te achterhalen maar sinds Caesars overwinning was wel al duidelijk geworden dat er voor hem geen ruimte meer zou zijn op het politieke veld en dat hij er beter aan deed zijn aandacht te richten op zijn advocatencarriere en de filosofie.

Fatsoen valt net als onder meer De fato (Over lotsbeschikking, eveneens uit 44 v. C.), De amicitia (Over vriendschap) en De re publia (De staat) onder de filosofische werken van Cicero waarbij hij vaak sterk leunt op andere geschriften en hun gedachten en ideeën vertaalt naar de toenmalige Romeinse maatschappij. Voor Fatsoen bijvoorbeeld baseert hij zich op het werk van Panaetius van Rodos (2e eeuw v.C.) die als de grondlegger van de Midden-Stoa geldt en wiens geschriften verloren gegaan zijn. Het is dankzij Cicero en latere stoïcijnen als Seneca, Nemeus en Philo dat een aantal van zijn denkbeelden overgeleverd zijn. De nadruk op het juiste leven zoals door de stoa in zijn drie `gedaantes` (oude, midden en jonge) naar voor gebracht, vormt dan ook de kern van het werk dat opgevat is als een (lange) brief aan Cicero`s zoon maar duidelijk een breder publiek voor ogen had. De manier waarop hij het werk opstelt, leest immers niet louter als een hulpmiddel voor zijn in Athene studerende zoon maar heeft ook een maatschappelijk oogpunt.

Nochtans leest Fatsoen in de eerste plaats als een werk dat beschrijft hoe men zich in het maatschappelijke leven dient te gedragen en welke handelingen prijzenswaardig dan wel af te keuren zijn. Daarbij gaat Cicero soms in op wat banale details lijkt zoals wanneer hij spreekt over welke grappen in een bepaald gezelschap (on)gepast zijn en brengt hij geregeld anekdotes ter sprake maar anderzijds weet hij ook in dit werk heel wat algemene principes te behandelen waarbij hij het boek in drie delen onderverdeelt. Het eerste van de drie boeken behandelt dat wat eerbaar is, het tweede boek behandelt het zinvolle en wat tot iemands voordeel is terwijl in het derde boek beide vorige thema`s behandeld worden in relatie tot elkaar waarbij het het eerbare steeds dient te primeren op het zinvolle. Bij het schrijven van dit boek heeft Cicero duidelijk een geromantiseerde en nooit bestaande republiek voor ogen die met de komst van Caesar teloor gegaan is. Naar alle waarschijnlijkheid geldt het boek dan ook als een laatste poging van Cicero om politiek nog een rol van betekenis te kunnen spelen en de republiek zoals hij die kende te laten voortbestaan.

Volgens Cicero dient het individu de samenleving en behoort deze de eigenbelangen ondergeschikt te maken aan die van het geheel. Hierbij spelen de (tijdelijke) omstandigheden wel steeds een rol zodat er geen sprake is van een altijd geldende set onveranderlijke regels. Toch betekent dit niet dat er geen richtlijnen zijn, veeleer dat een aantal principes de leidraad vormen waarmee men situaties dient te beoordelen en benaderen en die hij fatsoen noemt. Tot de vier aspecten die het begrip fatsoen vormen, rekent Cicero inzicht in de waarheid, het streven naar een stabiele samenleving, grootsheid en onverzettelijkheid van de geest en ten slotte een gecontroleerde manier van handelen en spreken waarbij zelfbeheersing uiteraard belangrijk is. Bij het behandelen van deze vier thema`s, het ene krijgt al wat meer aandacht dan het andere, grijpt Cicero vaak terug naar concrete voorbeelden eerder dan naar abstracte principes om ze te verhelderen. Een aanpak die ook in het tweede en derde boek naar voor komt.

Het tweede boek is net als het eerste een reflectie op een bepaald principe, ditmaal wat tot iemands voordeel strekt en dan vooral hoe men anderen aan zich kan binden. Meer nog dan het eerste boek is hier sprake van praktische uiteenzettingen waarbij onder meer hoe met macht om te gaan maar ook hoe geld mensen aan je kan binden en afstoten. Binnen een samenleving waar het volk vaak afhankelijk was van aalmoezen en weldaden van de rijke aristocraten (brood en spelen), geen verwaarloosbare bedenkingen. Cicero toont zich hier dan ook een kind van zijn tijd maar desondanks weer hij toch een inzicht te geven in de algemene aard van de mens zonder in de val het cynisme of naïviteit te vallen. In het derde en laatste deel bevestigt hij dit door de thena`s uit de eerste twee boeken met elkaar te verbinden en het eerzame boven het voordeel te plaatsen. Meer nog dan voorheen haalt hij hierbij allerlei voorbeelden uit de geschiedenis en zelfs de mythologie aan om zijn standpunten duidelijk te maken en te pleiten voor een eervol bestaan ten dienste van de samenleving.

Het mag geen wonder heten dat zelfs lang na Cicero`s dood het werk zou blijven overleven in allerlei kopijen en manuscripten. Belangrijke Christelijke theologen en filosofen beschouwden het ondanks zijn heidense auteur als een relevant ethisch werk, waarna met de herontdekking van de klassieke schrijvers door de humanisten Cicero`s ster nog verder zou rijzen. Ook Desiderius Erasmus en Voltaire onder andere beschouwden Fatsoen als onontbeerlijk en hielpen mee het werk onder de aandacht te houden. Die lof doorheen de eeuwen en maatschappelijke visies heen mag overigens niet verbazen want ook voor een hedendaagse lezer valt in Fatsoen een denken te vinden dat universeel en relevant klinkt. Bovendien kan niet voorbij Cicero`s talenten als schrijver gekeken worden, die door vertaler Paul Silverentand eer aangedaan wordt. Het aantal voetnoten en uitgebreid register vormen daarbij een kers op de taart van deze uitgave, die eens te meer onder de aandacht brengt waarom ook een stem die ouder dan tweeduizend jaar is nog steeds relevant kan klinken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × twee =