Dante Alighieri :: De goddelijke komedie

De geschiedenis staat bol van figuren wiens bekendheid zo groot is dat enkel hun achternaam voldoende is: Shakespeare, Tolkien, Goethe, maar ook Hitler of Marx hebben er aan genoeg. Andere notoire figuren als Stalin, Lenin, Caesar en Augustus hebben zichzelf overleefd in bijnaam of titel eerder dan hun geboortenaam. Bijzonder wordt het wanneer een voornaam volstaat, zoals bij Napoleon (Bonaparte) en in zekere zin Dante (Alighieri).

Dante Alighieri (1265-1321) werd geboren in Firenze als Durante di Alighiero degli Alighieri in een periode dat Italië nog verdeeld was in verschillende stadstaten en fracties. Binnen Firenze streden de Welfen en de Ghibellijnen met elkaar, waarbij de eerste groep tijdens de investituurstrijd (en ook erna) op de hand van de paus zat, terwijl de tweede zich achter de Rooms-Duitse keizer geschaard had. Toen de Welfen in 1289 definitief de macht grepen, wist Dante, die van vaderskant een Welf was, verschillende politieke ambten op te nemen en als gezant op te treden. Niet lang nadat de Welfen echter de totale macht hadden over de stad, ontstond een nieuw schisma waarbij de zogenaamde witte en zwarte Welfen tegenover elkaar kwamen te staan en die laatste groep als overwinnaar uit de bus kwam. Voor Dante, die tot de verliezende partij behoorde, betekende dit niet alleen een verlies van al zijn ambten, maar in 1302 (terwijl hij in Rome verbleef) ook een levenslange verbanning uit zijn geboortestad.

De hele geschiedenis van de Welfen en de interne strijd, alsook de verbanning, zou later nog een belangrijke rol spelen in De goddelijke komedie, geschreven tussen 1307 en 1321. In het werk waarbij Dante achtereenvolgens hel, vagevuur en paradijs beschrijft, duiken immers verschillende tijdgenoten op die – naargelang hun leven en Dantes mening over hen – in een van de drie plekken opduiken. De belangrijkste twee personages zijn de Romeinse Vergillius, die als Dantes favoriete dichter gold, en Beatrice (Portinari, 1266-1290), Dantes vroeggestorven muze voor wie hij de bundel Vita Nuova (Nieuw Leven, 1292-93) schreef en waarbij hij zijn hoofse liefde voor haar bezingt en haar dood betreurt. De manier waarop Dante hier poëzie en proza afwisselt en de volkstaal gebruikt, geven het werk een tijdloosheid die nog steeds resoneert. Samen met De goddelijke komedie behoort het tot zijn bekendste werken.

Als jonge man was Dante in contact gekomen met literatuur en poëzie in de volkstaal en volgde hij het debat dat er op volgde: Latijn was immers de taal waarin hoofdzakelijk geschreven werd. Ook al mag de sprong van Latijn naar Italiaans voor ongeoefende oren dan wel klein zijn, het verschil was groot genoeg om discussies uit te lokken over de waarde van die laatste als literaire taal. Dante zelf schreef met De vulgari eloquentia tussen 1302 en 1305 een Latijns pleidooi voor het gebruik van het Italiaans in de literatuur. In de jaren erna zou hij bewijzen dat ook in de taal van het gewone volk een werk geschreven kon worden dat de elite kon bekoren en op verschillende niveaus gelezen kon worden, met name allegorisch, theologisch, (middeleeuws) wetenschappelijk, als puur verhaal en uiteraard ook als afrekening en ode aan tijdgenoten en befaamde/beruchte figuren uit het verleden.

Dat De goddelijke komedie nog volop in het middeleeuwse wereldbeeld geworteld is, spreekt, op het gebruik van het Italiaans na, zowat uit alles van het werk. Vooreerst is er uiteraard de religieuze inslag met als thema’s hemel, hel en vagevuur die uitvoerig beschreven worden, maar ook in de manier waarop theologische reflecties in de drie delen naar voor komen. Doorheen het hele werk duiken bijvoorbeeld (veelvouden van) drie en tien op, waarbij drie verwijst naar de heilige Drievuldigheid en waar het getal tien voor volmaaktheid stond: zo zijn de drie delen elk opgebouwd uit drieëndertig canti (gezangen) van ongeveer honderd terzinnen (gedichten uit drie zinnen) en bestaat elk canto ook uit ongeveer 1.000 woorden. Maar Dante beperkte zich niet louter tot een christelijke inspiratie: in het werk herkent men immers ook zijn interesse in wetenschappen en astronomie in het bijzonder.

In de eerste plaats vormen Ptolameus en de recent herontdekte Aristoteles de basis voor de structuur van de wereld en de geografische ligging van de plekken waar Dante komt. Jeruzalem ligt niet geheel verwonderlijk in het centrum van de wereld, maar dat de hel daaronder ligt, is vooral om duidelijk te maken hoezeer deze plek die naar het centrum van het universum gaat (Dante hing nog de geocentrische visie aan) het verst van al verwijderd is van het paradijs. Diametraal ermee ligt de louteringsberg (het vagevuur) die via een tunnel onder de hel bereikt kan worden. De louteringsberg is opgebouwd uit zeven cirkels conform de zeven hoofdzonden, waar zowel de hel als de hemel uit negen cirkels of sferen bestaan, met aan de top van de berg het Aards Paradijs. Het is van hier dat Dante naar de hemel stijgt, die in lijn met de middeleeuwse opvattingen van de aarde gescheiden wordt door de vier elementen en zich binnen de (eeuwige, onvergankelijke) ether bevindt. De negen hemelse sferen zijn vernoemd naar de planeten en tonen gelijkenissen met de eigenschappen die aan de planeten toegewezen zijn.

De al eerder vermelde theologische lezing vertaalt zich overigens ook in een tropologische (hoe de gelovige moet handelen in de wereld) en anagogische (hoe de mens zich verhoudt tot God) lezing, die Dante bovendien net zozeer metaforisch weet te vertalen als in een fictief reisverslag. Voor de middeleeuwse (religieuze) lezer krijgt het werk aldus ook een dimensie mee die veel moderne lezers grotendeels zal ontgaan. Maar ook wie niet thuis is in het middeleeuwse religieuze, politieke of kosmologisch denkkader zal nog steeds voldoende duidelijk Dantes visies op hoe (moreel) te handelen uit de tekst kunnen halen, zelfs al zal voor hem of haar de religieuze verbinding niet langer relevant zijn. Een van de redenen dat het werk ook nu nog aanspreekt, is dan ook de manier waarop Dante zijn ideeën weet te vatten in een lang gedicht dat, door zich te presenteren als een fictief reisverslag, evenzeer een metaforische en allegorische invulling krijgt die zijn tijdskader overstijgt.

Die laatste lezing is, ondanks de gelaagdheid van het werk, ongetwijfeld de meest aantrekkelijke voor de (moderne) lezer. In het bijzonder bij zijn beschrijvingen van de cirkels in de hel toont Dante zich van een ingenieuze kant, waarbij de straffen gekoppeld aan zondes en misdaden op zijn minst inventief te noemen zijn en de bitterheid en vijandschap ten overstaan van zijn tegenstanders (maar ook tegenover historische en zelfs fictieve figuren) zijn fantasie (en daarmee ook de lezer) gretig prikkelen. Wie zich minder wil verkneukelen in het lijden van anderen, vindt soelaas in het tweede deel, waar de belofte op verlossing steevast aanwezig is en hoop en berouw de boventoon voeren. Het is overigens tijdens deze twee eerste reizen dat Virgillius Dante vergezelt, alvorens Beatrice hem de hemel binnenleidt als gids en raadsvrouw. Deze laatste reis heeft haast automatisch de meest religieuze en abstracte inslag, maar ook hier toont Dante zich nog steeds een meester van het woord en verhaal.

Hoewel Dante enkele eeuwen na zijn dood minder gelezen werd, bleef zijn werk in omloop en zou het met de opkomst van de Romantiek zelfs opnieuw onder de aandacht komen. In de negentiende en twintigste eeuw kwamen er dan ook studies naar zijn werk bij, waardoor de rijkdom van zijn geschriften en de mogelijke interpretaties ervan de waarde van zijn werk extra onderstreepten. Ook de vertalers Ike Cialona en Peter Verstegen hebben hier hun voordeel uit gehaald, maar liever dan het gedicht te belasten met een eindeloos aantal voetnoten, laten zij deze vertaling volgen door een (beperkte) duiding per gezang. Het werk, zo lijken ze impliciet te beweren, staat immers ook op zich, wat iedereen die het leest alleen maar beamen kan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in