Lucky

In zijn nog steeds zeer lezenswaardige Poetica beschreef de Griekse wijsgeer Aristoteles meer dan 25 eeuwen geleden, het genre van de komedie als ‘de burger die kijkt naar karakters die inferieur zijn aan zichzelf’. Die beschrijving is er een die spontaan voor de geest komt bij het aanschouwen van de groep compleet idiote personages die Lucky bevolken. Een gedachte die zichzelf eveneens opdringt is dat wie gelooft dat Jan Verheyen de Vlaamse film niet meteen een dienst bewijst met alweer een nieuwe aflevering in te blikken van De Kampioenen, er zeker mag van zijn dat ook ten zuiden van de taalgrens en in Frankrijk niet alleen fijnzinnige drama’s gemaakt worden die prijzen winnen op prestigieuze festivals. Voor elke Rosetta, Portrait de la Jeune Fille en Feu of Adoration, is er ook iets als Lucky en het resultaat getuigt van een debiliteit die elke verbeelding tart.

Lucky gaat over een voormalig politieagent met geldproblemen en een hondenliefhebber met geldproblemen (Michaël Youn en Alban Ivanov), die samen besluiten om een politiehond te stelen die hen zal helpen waar afhandig te maken van de lokale drugsdealers en zo een klein fortuin op te bouwen. Juist, ja … Toegegeven, ‘Indisch acteur wordt per vergissing uitgenodigd op een duur feest en zet de boel op stelten’ (The Party van Blake Edwards) of ‘kinderloos koppel besluit een baby te stelen bij een familie die de handen vol heeft aan een vijfling’ (Raising Arizona van de Coen-broers) zijn ook niet meteen traktaten in Kantiaanse filosofie, maar het scenario van Lucky is echt wel van heel erg dik hout planken zagen. Is er echt iemand die oprecht denkt dat het grappig is om twee gepatendeerde mislukkelingen te zien achter een hond aanzitten nadat ze tot de conclusie komen dat de kooi die ze minutenlang tevergeefs wilden openbreken reeds geopend was? Als onze Griekse vriend Aristoteles gelijk heeft over personages in komedies, dan maakt dit onding duidelijk dat er ook grenzen zijn aan wat je kan doen met dat idee: Lucky wordt enkel bevolkt door afstotelijke figuren en nog afstotelijker figuren. Buiten de twee protagonisten is er immers nog een hele reeks aan nevenpersonages die ofwel dom, vervelend of overbodig zijn en liefst een combinatie van al die zaken. De kroon wordt gespannen door de corrupte agente Caroline (Florence Foresti, helaas een experte in dit soort vreselijke nonsens) die kopstoten uitdeelt, rijke dames laat beroven en steekpenningen aanneemt en waarvan je je als kijker oprecht afvraagt wat de komische meerwaarde in godsnaam zou kunnen zijn.

Al die banale onzin zou niet eens zo erg zijn, mocht regisseur Olivier Van Hoofstadt weten waar hij een camera moet neerzetten. Kijk, het zou niet eerlijk zijn dit soort komedie te vergelijken met de briljante formalistische spelletjes van iemand als Wes Anderson (The Grand Budapest Hotel, Isle of Dogs) en dus is het waarschijnlijk eerlijker de nonsensicale humor van bijvoorbeeld de Farrelly-broers in te roepen. Hoezeer de films van dat duo ook mikken op de laagste gemene deler, in hun beste werk (en ja, dat is een relatief begrip) kan je er niet omheen dat een prent als There’s Something About Mary tenminste enig stijlgevoel bezit. Dat gevoel voor stijl of stilisme is volkomen zoek in Lucky, een film die niet alleen op een pijnlijke manier elk gevoel voor humor lijkt te ontberen, maar dat ook nog eens doet op een manier die werkelijk pijn doet aan de ogen: zelden werd banaliteit opgediend in zo’n banale verpakking. Zowat de enige oprechte reactie die opkomt na het bekijken van Lucky is de drang om een douche te nemen … kwestie van de stortvloed aan onnozelheid, lelijkheid en idiotie toch op een of andere manier kwijt te raken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − veertien =