F.B. Hotz :: Onrustige dagen

“Wie schrijft, die blijft”, zo wil het spreekwoord dat het zelfs tot de titel van een literair programma op de toenmalige BRT schopte. En ook al sloeg het oorspronkelijk op boekhouden, de uitspraak zal wel voor eeuwig met literatuur verbonden blijven. Toch mag er meteen een belangrijke kanttekening bij gemaakt worden, want het aantal vergeten schrijvers, ook in de lage landen, die hoogstens bij een enkele literatuurliefhebber nog een belletje doen rinkelen, blijft hoog liggen. Weinig auteurs slagen erin decennia na hun dood nog enige bekendheid te behouden en vaak geldt het dan nog voor één enkel werk dat op leeslijstjes van scholen en literatuuropleidingen de ronde doet.

De Nederlandse auteur Frits Bernard Hotz (1922-2000) leek eenzelfde lot beschoren te zijn. In 1976 debuteerde Hotz op 54-jarige leeftijd met een eerste verhalenbundel, Dood weermiddel, en zou van verhalen zijn kenmerk maken. Tussen 1976 en 1996 schreef hij zes verhalenbundels, een roman en een novelle waarna in 1982 al een eerste bloemlezing volgde uit zijn eerste drie werken. Een tweede zou volgen in 2001, enkele jaren nadat zijn verzameld werk in twee delen verscheen. In 1978 al kreeg Hotz de F. Bordewijk-prijs toegekend voor wat nog maar zijn tweede verhalenbundel was: Ernstvuurwerk. Voor zijn gehele oeuvre zou nog de Sjoerd Leikerprijs en de P.C. Hooft-prijs volgen. Kon Hotz tijdens zijn leven duidelijk nog op enige erkenning en aandacht rekenen, dan taande de belangstelling al snel na zijn dood. Zijn verhalenbundels en enige roman zijn louter op de tweedehandsmarkt te vinden waar ze voor relatief weinig geld te koop worden aangeboden.

De voornaamste reden dat met Onrustige dagen toch een nieuwe bloemlezing verschijnt, is dan ook in niet onbelangrijke mate te danken aan de inspanningen van Thomas Heerma van Voss, die als auteur ondertussen zelf zijn plek in de literaire wereld verdiend heeft. Heerma van Voss selecteerde niet alleen de verhalen, maar schreef ook een inleiding op het werk van Hotz waarbij hij heel kort ingaat op diens leven. Zo was Hotz in de eerste plaats trombonist en zou hij in de jaren zestig scheiden van zijn vrouw, nadat zij een affaire had met zijn beste vriend. Die vriend zou door Hotz` ex overigens vermoord worden nadat ze ontdekte dat hij haar met een ander bedroog. Het zou zo uit een roman kunnen geplukt zijn, maar niet een van Hotz, want diens universum is veel banaler in haar zwaarmoedigheid en falen.

Hotz` personages zijn niet de meest actieve of daadkrachtige figuren die er bestaan. Veelal zijn ze vooral toeschouwers van andermans levens en speelt hun eigen bestaan zich grotendeels aan de zijlijn af. Dat de hoofdpersonages in verschillende verhalen kinderen of jonge tieners zijn, doet er eigenlijk niet toe, want gelatenheid lijkt wel het codewoord over de verhalen heen. Het gebrek aan actie weet Hotz treffend te pareren door nauwkeurige beschrijvingen te geven die nergens gratuit aanvoelen, mede dankzij zijn beheerste schrijfstijl. Zelfs wanneer Hotz zijn personages in een oorlog terecht laat komen, voornamelijk als burger en in één verhaal als soldaat, speelt het zich bijna allemaal buiten hen af en staan ze er vooral bij met een schuldbewuste blik die uitdrukt dat ze er ook niets aan kunnen verhelpen dat de zaken nu eenmaal zo lopen.

Beweren dat Hotz` personages in een kwaadaardig of kil universum leven, zou een brug te ver zijn, maar echt veel genegenheid of liefde schuilt er niet in. Op één hier geselecteerd verhaal na, waar God zowaar ingrijpt op verzoek van een personage en een dramatische afwending teruggespoeld wordt. Niet dat de held hiervoor een beloning krijgt, veeleer leidt hij zijn leven verder op grotendeels dezelfde manier, terwijl iedereen blind en onwetend is voor welke tragedie hij heeft vermeden dankzij zijn gebed en de goedhartigheid van God. Het is overigens het enige verhaal waarbij God zowaar een rol toebedeeld krijgt, hij lijkt net als de auteur ook maar iemand te zijn die beschrijft en observeert in plaats van actief in te grijpen. Hotz` personages belanden nu eenmaal in bepaalde situaties door het toeval en niet door een sturende hand, en net als hun schepper klooien ze ook maar wat aan.

De onderkoelde stijl – met vaak rake typeringen en de keuze om zowat alle verhalen ergens in de jaren twintig en dertig te laten afspelen – geeft aan Hotz` verhalen een tijdloosheid mee die versterkt wordt door enerzijds zijn onderwerpen en anderzijds zijn stijl. Niet onterecht merkt Heerma van Voss op dat Hotz onder geen enkele generate valt en niet echt literaire tijdgenoten heeft. De vermoeidheid en machteloosheid mogen dan wel typerend zijn voor de naoorlogse literatuur, de manier waarop Hotz ze beschrijft, blijft uniek. Net zo zweven er elementen van de nieuwe zakelijkheid in, maar is Hotz in zijn beschrijvingen toch rijk genoeg om er een eigen hand in te zien die verder wil gaan dan het koele beschouwen en observeren. Dat Hotz net uitmunt in korte verhalen, blijkt ook uit deze bundel, waar zelfs de wat langere verhalen haast te lang aanvoelen en Hotz net iets te veel ter plaatse blijft trappelen om de kracht van de beste verhalen te evenaren.

Onrustige dagen zorgt voor een vreemde leeservaring. Dat het een verhalenbundel betreft, speelt daarbij ongetwijfeld een rol. De meeste lezers en schrijvers verkiezen nu eenmaal romans, die sowieso enige investering vergen, waar een kortverhaal snel lijkt weg te lezen. Wie meerdere kortverhalen na elkaar leest, kan dan ook een vreemd gevoel van herkenning krijgen, want eenzelfde auteur is aan het woord en op een zekere manier speelt zich alles af binnen eenzelfde universum. Maar ook los van de eigenheid en potentiële vervreemding die verhalenbundels met zich meebrengen, is er nog de aparte stem van Hotz die zich zowel in schrijfstijl (zakelijk en franjeloos maar treffend beschrijvend en soms zelf poëtisch) als in verhalen onderscheidt. Er is geen duidelijke naturalistische of kille afwenteling, maar evenmin is er sprake van echt hoop of catharsis. Bij Hotz gebeuren de dingen gewoon en iedereen staat erbij en kijkt ernaar.

Dat zowat alle schrijvers vroeg of laat in de vergeetput van de literatuur eindigen, is een feit, in het bijzonder naarmate men steeds meer voorgangers te dulden heeft. Toch is het opmerkelijk en jammer dat Hotz nauwelijks twintig jaar na zijn dood zelfs geen voetnoot in de Nederlandstaloge literatuur blijkt te zijn. Natuurlijk liet hij zich nooit tot deze of gene stroming rekenen, maar zijn schrijftalent staat buiten kijf en ook al blikt hij dan vooral terug op het interbellum, zijn verhalen hebben wel degelijk een universalistischere inslag. Het siert Thomas Heerma van Voss dat hij mee zijn schouders gezet heeft onder deze bloemlezing, maar rekening houdend met de bescheidenheid van het oeuvre, verdienen zowel Hotz als de lezer meer. Een herdruk van al zijn verhalen, al dan niet gebundeld als verzameld werk, zou op korte termijn tot de opties mogen gerekend worden, al was het maar om hem geen tweede maal te vergeten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in