Bob De Graaff :: Data en dreiging

Spionnen zijn van alle tijden evenals de waas van mysterie die rond hen hangt. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw vonden ze dan ook moeiteloos hun weg naar romans en later films. Die omslag had in niet onbelangrijke mate te maken met het feit dat voorheen spionnen vaak in privédienst van vermogende heren stonden terwijl, naarmate de natiestaat meer en meer vorm kreeg, ook de spion evolueerde van een soort huurling naar een geheimagent in dienst van een natie.

De bekendste spion blijft ongetwijfeld James Bond, de gentleman die van Martini en mooie vrouwen houdt en wiens license to kill meermaals de (Westerse) wereld redt. Andere auteurs zoals John Le Carré kozen dan weer voor een antiheld (George Smiley) die onder hun sullige uiterlijk evenzeer een meedogenloosheid en koud intellect leken te herbergen. Zelfs de meer realistische spionageromans en films creëren bij voorkeur dan ook een web van intriges, leugens met harteloze bureaucraten en koudbloedige spionnen omdat de realiteit nu eenmaal niet zo spannend of verrassend is als waar fictie om vraagt. Geen man die dat beter weet dan Bob De Graaff, hoogleraar Inlichtingen- en veiligheidsstudies aan de Universiteit Utrecht en de Defensieacademie Breda, en van 2007 tot 2009 Nederlands eerste hoogleraar Terrorisme en contraterrorisme aan de Universiteit Leiden. Data en dreiging. Stap in de wereld van intelligence is dan ook geen boek vol smeuïge verhalen rond afrekeningen, dubbelspel spelende spionnen of hoogtechnologische gadgets als wel een introductie tot en reflectie op hoe moderne inlichtingendiensten werken en voor welke uitdagingen zij zich gesteld zien.

Hiervoor vertrekt De Graaff vanuit zes verschilende invalshoeken en vragen die op elkaar verder bouwen. Vooreerst dient uiteraard de definitie van intelligence zelf bepaald te worden alvorens overgegaan kan worden tot het verzamelen van gegevens en het verwerken en analyseren ervan. Inlichtingenverzameling gebeurt altijd ten dienste van iemand en zeker wanneer men over staten spreekt zijn daar ook een aantal politieke, ethische en juridische aspecten aan verbonden. Tot slot blikt De Graaff even vooruit want inlichtingenverzameling gebeurt steeds meer binnen een wereld waar de vijand niet langer of louter een staat is die met eenzelfde middelen strijdt maar steeds meer verwordt tot ideologische los-vaste collectieven die via onder meer sociale media over de hele wereld sympathisanten trachten te bereiken. De analyserende en educatieve inslag van het boek verbaast overigens niet aangezien het deel uit maakt van het platform Intelligencelabs.nl, en fungeert als lesmateriaal bij een cursusreeks. Maar Data en dreiging laat zich gelukkig ook los daarvan lezen als een helder en gestructureerd werk.

Dat is in de eerste plaats te danken aan De Graaff die niet alleen een uitstekend schrijver is, maar ook zijn metier kent en daarbij geregeld over de grenzen heen kijkt om een omvattend verhaal met de nodige nuances te vertellen. Vooreerst neemt hij uitgebreid de tijd om intelligence zelf te definiëren en uit te leggen waarom hij die term hanteert in plaats van bijvoorbeeld informatie- of inlichtingenwinning. Om van intelligence te spreken moet duidelijk zijn om welk type van informatie het gaat en of deze ook relevant is voor de andere (spionerende) partij. Hierbij speelt ook een verschil tussen landen een grote rol, zo hanteren de VS en Groot-Brittannië een deels verschillende definitie van o.a. informatie en worden naargelang het land bepaalde activiteiten ook nog onder de noemer intelligence geplaatst of net niet. Met die bedenkingen in het achterhoofd weet De Graaff echter wel een handzame en omvattende definitie te geven, al maakt hij ook meteen duidelijk dat er ook onder experts niet één omschrijving zaligmakend is.

Het tweede en meest uitgebreide hoofdstuk gaat dieper in op de verschillende manieren van inlichtingenverzameling, gaande van het gebruik van mensen over het onderscheppen van berichten tot en met informatie die gekocht kan worden dan wel via sociale media beschikbaar gesteld wordt. Bij het verzamelen van inlichtingen dient in de eerste plaats bepaald te worden welke inlichtingen gevraagd zijn en voor wie en op welke manier deze het beste verzameld kunnen worden. Hierbij wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende vormen van inlichtingenwinning en hun voor- en nadelen. Niet verwonderlijk neemt de reflectie op inlichtingen vergaard via menselijke bronnen een groot deel van het hoofdstuk in. Niet alleen is dit de oudste vorm van informatiewinning, het feit dat met mensen samengewerkt wordt die verschillende motieven hebben en zelfs dubbelspel kunnen spelen, kan niet genegeerd worden. Speelt die subjectieve factor minder een rol bij de meer technologische methodes, dan dragen deze evenzeer een aantal gevaren in zich waarbij de hoeveelheid data, de mogelijke (bewuste) corruptie ervan en de interpretatie een niet onbelangrijke rol spelen.

Het ‘bewerken, waarderen en analyseren’ van alle data speelt dan ook een belangrijke rol waarbij opnieuw het menselijke element de boventoon voert. Zoals intussen al duidelijk mag zijn, is er ook niet zoiets als ‘de analist’ en spelen de verschillende partijen binnen intelligence een rol die nu eens klikt dan weer met elkaar in conflict komt. Daarnaast dient alle binnengekomen informatie ook op hun waarde beoordeeld te worden waarbij verschillende methodieken en systemen gehanteerd kunnen worden, die uiteraard niet fail proof zijn. Eens de informatie verwerkt in rapporten en dergelijke meer, komt de tweede hoofdbrok er aan, met name hoe om te gaan met de verwerkte informatie en aan wie deze dient aangeleverd te worden en wie niet. Ook hier spelen verschillende belangen een rol, die het informeren en rapporteren sterk kunnen beïnvloeden. Inlichtingendiensten bestaan immers bij gratie van een ‘klant’ die zelf met bepaalde verwachtingen werkt en bovendien meestal een meer zichtbare positie heeft waarbij hij of zij bepaalde genomen belissingen ook dient te verdedigen. Dat hierbij niet altijd de juiste informatie gehanteerd wordt, mag onder meer blijken uit de inval in Irak onder het mom dat het toenmalige regime massavernietigingswapens zou hebben (quod non). De vraag rijst dan ook in hoeverre beide partijen (verstrekker en afnemer) onafhankelijk van elkaar moeten of kunnen werken, waarbij er geen eenduidig antwoord is en verschillende landen doorheen de tijd andere opties en visies hanteerden zonder dat een ervan zaligmakend leek te zijn.

In dit hoofdstuk behandelt De Graaff, misschien ietwat contra-intuïtief ook het gegeven van covert action, contra-inlichtingen en zelfs internationale samenwerkingen en intelligence failures. Intelligence is meer dan het verzamelen van data en op basis hiervan rapporten bezorgen aan beleidsvoerders en hoger geplaatsten, alle partijen zijn zich immers bewust van het feit dat anderen meelezen en hebben er dus baat bij data en informatie bewust te corrumperen door onder meer foute gegevens “vrij te geven”. Opvallend genoeg gebeurt dit soms zelf onder samenwerkende landen, al is het veeleer zo dat bepaalde informatie slechts met mondjesmaat of aan enkele partners bezorgd wordt. Het complexe spel van dataverzameling en -analyse gekoppeld aan corrupte data en cherry picking leidt dan ook geregeld tot intelligence failure waarbij de verkeerde conclusies getrokken worden en/of reële dreigingen onderschat worden. Toch geldt ook hier dat geheimhouding evenzeer betekent dat geslaagde operaties in het verborgene blijven terwijl het falen breed aandacht krijgt.

Een vraag die ongetwijfeld volgt op de hele analyse van het intelligence spel is die naar de juridische en ethische consequenties, die samen kunnen vallen maar dat niet behoeven. Om dat helder te maken, geeft De Graaff een korte schets van de verschillende ethische denksystemen waarbij de nadruk ligt op het handelen zelf of net de uitkomst ervan. Alvorens daar op in te gaan, start hij echter met het juridische aspect en haar uitwerking waarbij net de VS al snel een juridisch kader creëerde waarbinnen geheime diensten werken. Dat controle op deze diensten in verschillende landen een moeizame geschiedenis kende, mag niet verbazen net zo min als het feit dat verschillende actoren potentieel als toezichthouder kunnen optreden. Liever dan in detail in te gaan op de mogelijke vertalingen in de praktijk, houdt De Graaff het hier bij een aantal algemene principes die hij in de eerste plaats ondersteunt met praktijkvoorbeelden en de vertaling in commissies, wetten, e.d. uit Nederland. Hoewel Nederland wel vaker mee als voorbeeld genomen wordt, geldt dit hoofdstuk dan ook als hetgene dat zich het meeste op dit land in kwestie richt bij zijn praktijkvoorbeelden.

Nu het hele kader en uitdagingen geschetst zijn, blijft er voor de auteur weinig over dan vooruit te blikken naar de toekomst en de uitdagingen waarvoor geheime diensten zich gesteld zien. Met de val van de voormalige Sovjet-Unie zijn de machtsverhoudingen dan ook in belangrijke mate verschoven naar niet-nationale, ideologische tegenstanders, al zijn er met Iran, China en Noord-Korea nog steeds invloedrijke spelers in het spel. Het is echter niet de eerste maal dat het speelveld wijzigt, zoals De Graaff kort toelicht, eerder waren er immers de ‘private’ spionnen die voor individuen werkten waarna de natiestaat steeds meer de rol van opdrachtgever overnam. Een tweede grote omwenteling kwam er dankzij de technologie en verdere bureaucratisering waarbij professionele intelligence volledig onderdeel werd van een staat. De vraag rijst nu of rekening houdend met nieuwe technologieën en verdere mondialisering de tijd van een derde verschuiving aangebroken is. Ook hier houdt De Graaff zich op de vlakte door weliswaar veel argumenten aan te reiken en een eigen reflectie aan te bieden maar tezelfdertijd de lezer ook te dwingen een eigen visie en standpunt te ontwikkelen.

Data en dreiging. Stap in de wereld van intelligence is zoals De Graaff zelf benadrukt geen doe-boek dat iemand leert hoe spion of analist te worden, het is wel een reflectie op hoe intelligence werkt en met welke vragen en uitdagingen zij kampt. In navolging van Engelstalige werken die zich voornamelijk op de VS of Groot-Brittannië wil De Graaff een beeld schetsen van intelligence met een grotere nadruk op Nederland en Europa, waarbij zowel gelijkenissen als verschillen aan bod komen, om zo een beter begrip van deze “geheime” wereld te creëren, die vooralsnog bevolkt wordt door doorsnee mensen. Want als Data en dreiging een ding duidelijk maakt, is dat intelligence geen abstract gegeven is maar vooralsnog mensenwerk dat behoudens de mogelijke consequenties, weinig verschilt van andere disciplines in de manier waarop het met verschillende evenwichten, tijd, geld en mensen rekening dient te houden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in