Karel van der Leeuw :: Chinese filosofie

Aan de Britse wiskundige en filosoof Alfred North Whitehead wordt de opmerking toegeschreven dat de gehele Westerse filosofie een voetnoot is bij Plato (427 v.C. – 347 v.C.), een boutade die hij zelf overigens van de nodige nuanceringen voorzag. Wanneer we over Chinese filosofie spreken, kan eenzelfde gezegd worden over Confucius (551 v.C. – 479 v.C.) waarbij meteen mag opgemerkt worden dat meester K`ong (zoals zijn Chinese naam luidt) als leermeester in niet onbelangrijke mate het Chinese denken beïnvloedde en het nu nog steeds symbool staat voor de Chinese filosofie.

Wanneer men over filosofie spreekt, is het nooit gemakkelijk de sprong naar een ander cultureel denken te maken daar het begrip in het Westen een heel eigen ontstaansgeschiedenis en evolutie heeft gekend die sterk verschilt van andere culturen. Banaal en tekenend voorbeeld hiervan is alleen al het feit dat de term filosofie in het Mandarijs Chinees bijvoorbeeld niet bestond tot vorige eeuw en pas gelanceerd werd nadat Japanse academici naar een vertaling zochten van de term om hun eigen gelijkwaardige traditie te omschrijven. Wie Chinese filosofie bestudeert, zal daardoor al snel merken dat er een heel andere invulling aan gegeven wordt dan binnen het Westen. Opvallender en veelzeggender is echter dat deze verschillende denkwijzes een gelijkaardige ontstaansgeschiedenis hebben die op meerdere punten raakvlakken kennen. Om het met een boutade te stellen: Plato heeft meer gemeen met Confucius dan met een latere Westerse filosoof.

Net als de oude Griekse en Romeinse filosofen buigt de Chinese filosoof zich immers over de belangrijkste vragen uit het leven met als doel te bepalen hoe men dient te leven. Daarbij speelt ethiek een niet onbelangrijke rol maar komen ook verhoudingen tot anderen en zelfs natuurhistorische en geneeskundige vragen aan bod. In een poging die rijkdom te vatten, alsook andere belangwekkende stromingen naast het Confucianisme, bundelde de Nederlandse filosoof en sinoloog Karel van der Leeuwen (1940-2015) verschillende artikels in het postuum verschenen Chinese filosofie. Onderverdeeld in negentien hoofdstukken, waarvan vier geschreven door collega`s van van der Leeuwen, wordt de rijkdom van het Chinese denken aan de hand van verschillende thema`s en onderwerpen verder uitgediept.

Het inleidende hoofdstuk geeft op een heldere en duidelijke manier weer hoe Westerse (oud-Griekse) en Oosterse, in casu Chinese en Indische denksystemen, zich verhouden tot elkaar waarbij naast de verschillen ook op de gelijkenissen gewezen wordt. Als eerste hoofdstuk heeft het mee tot doel de lezer die niet vertrouwd is met wijsgerige tradities een kader aan te reiken waarmee deze de volgende hoofdstukken beter kan begrijpen en plaatsen. In die zin is het een van de weinige of misschien wel enige hoofdstuk dat voor de andere dient gelezen te worden om een beter begrip te vormen. De auteur maakt immers zelf al snel duidelijk dat de verschillende delen van het boek zowat volledig op zichzelf staan en dus ook in niet-chronologische volgorde en los van elkaar gelezen kunnen worden. Dat daarbij onvermijdelijk in een aantal hoofdstukken bepaalde zaken opnieuw opduiken vormt overigens geen bezwaar.

De hoofdmoot van de hoofdstukken ligt uiteraard bij het Chinese denken zoals dit niet alleen door Confucius maar ook door diens belangrijkste opvolger Mencius (meester Meng, 372 v.C. – 289 v.C.) verder uitgewerkt werd. Andere belangrijke stromingen die aan bod komen zijn naast het — ook in het Westen bekende — Taoïsme (of daoïsme) en (zen-) boeddhisme, het door Mozi (meester Mo, 470 v.C. – 391 v.C.) vormgegeven Mohisme dat zich afzette tegenover de voormelde stromingen maar er ook veel raakvlakken mee kende. Die denkbeelden worden zowel in aparte hoofdstukken als in verhouding tot elkaar besproken, in het bijzonder wanneer kenmerken van de Chinese filosfie (waaronder de dialoog en overlevering) behandeld worden. Een enkele keer wordt er ook een parallel gelegd met de Griekse filosofieën, onder meer bij het belang van de dialoog in geschriften en bij de visies op mens en natuur en hun onderlinge verhouding.

Hoewel de thema`s zo uiteenlopend kunnen zijn als de rol van de dialoog en anekdotes in filosofie, het belang van muziek of het streven naar onsterfelijkheid, weet van der Leeuw steevast op een heldere en vlotte manier de essentie weer te geven. Doorspekt met de nodige voorbeelden en tekstcitaten weet hij als geen ander de behandelde onderwerpen kenbaar te maken en de essentie te bevatten, wat ook bij de meer religieuze onderwerpen als het boeddhisme, taoïsme en de Yijing (I Tjing) een meerwaarde vormt. Uiteraard leest niet elk lemma even vlot, zo zijn de artikels over de Yijing en logica twee van de meer technische artikels, terwijl het deeltje over muziek snel weg leest en de behandeling van de anekdotiek — niet geheel verbazingwekkend — veel citaten bevat. De vier hoofdstukken die niet door van der Leeuw zelf geschreven werden, behandelen onderwerpen die hij zelf niet meer kon beschrijven en zijn al even uiteenlopend, van geneeskunde tot metafysica.

Het verschil tussen deze vier hoofdstukken en deze van de (hoofd)auteur zelf zijn opvallend en vallen in het geval van twee gastauteurs zelfs in hun nadeel uit. Zo grijpt Jan Bor bij zijn reflectie over metafysica te veel terug op de filosofie van Henri Bergson om echt een dieper inzicht te krijgen in het Chinese denken, terwijl B.J. Mansvelt Beck bij zijn bespreking van `de zeven Wijzen van het bamboebosje` de anekdotiek onvoldoende weet te overstijgen waardoor het amusant maar zonder veel meerwaarde blijft. In die optiek weet Diane Sommers de Chinese geneeskunde veel beter over te brengen terwijl ook Jan De Meyer zich staande weet te houden wanneer hij de wereld van geesten, goden en demonen behandelt. Geen van beide weet weliswaar qua stijl te tippen aan van der Leeuw maar hun inbreng is zeker meer dan waardevol.

Hoewel de Chinese filosofie veel meer dan de Westerse schatplichtig is gebleven aan bepaalde denkers en denkbeelden en zich binnen die mal vorm gaf, kan de rijkdom ervan niet ontkend worden. Westerse geleerden, vaak religieuzen, die er een eerste maal mee in contact kwamen, verbaasden zich er niet onbelangrijke mate over en zochten naar manieren om deze ideeën te verzoenen met onder meer het Christendom. In een afsluitend hoofdstuk, naast het eerste zowat het enige dat chronologisch mag gelezen worden, blikt van der Leeuw hierop terug en maakt hij eens te meer de waarde en diepgang van de Chinese filosofie duidelijk. Hoewel er nog steeds een schat aan onvertaalde werken bestaat, zijn er intussen verschillende vertalingen, inleidingen en werken over beschikbaar. Voor de geïnteresseerde lezer geeft van der Leeuw bij wijze van afsluiting deze nog mee maar het mag duidelijk zijn dat Chinese filosofie op zichzelf al een boeiende, omvattende en waardevolle inleiding tot een eeuwenoude stroming is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in