Doctor Sleep

Doctor Sleep roept veel vragen op. Was een sequel na bijna veertig jaar nodig? Moest die sequel twee uur en half duren? Kan Mike Flanagan (The Haunting of Hill House, Oculus) Stanley Kubrick en Stephen King verzoenen zonder één van de twee oneer aan te doen? Respectievelijke antwoorden: tuurlijk niet, wellicht niet, verrassend genoeg wel.

Van de tientallen verfilmingen van Stephen Kings romans, is The Shining de meest befaamde. Kubrick maakte van The Overlook Hotel een architecturale onmogelijkheid, herschreef filmgeschiedenis en castte Jack Nicholson als Jack – here’s Johnny! –  Torrance. Anderzijds is het ook de enige verfilming die King openlijk minachtte. The Shining was Kings meest persoonlijke werk, gebaseerd op zijn eigen ervaringen met een alcoholverslaving. Dat Kubrick het vervolgens verkapte tot een verhaal over waanzin, schoot duidelijk in het verkeerde keelgat . Vijf jaar geleden liet de auteur ook nog optekenen dat Shelley Duvall als Wendy “enkel wat stond te schreeuwen en dom stond te wezen”. Niet mals.

Er stond Flanagan dus een stevige uitdaging te wachten. Kan je de wrok van King ontwijken zonder de Kubrickfanclub al te veel te schofferen? Aan de gemengde reviews te zien: niet helemaal, maar Flanagan deed een meer dan verdienstelijke poging. Doctor Sleep is een vrij esthetische psychologische thriller die jumpscares mijdt als de pest én oog heeft voor de puinhoop die alcoholisme van je leven kan maken. Al deed Flanagan misschien iets te veel zijn best om de Kubrickers te behagen. De recreaties van de iconische Kubrickshots zullen wellicht niet bij iedereen in goede aarde vallen: hommage brengen is één iets, knullig copypasten met een modernere camera dan die uit de eighties is een ander.

Dat volledige scènes opnieuw gerecycleerd worden, ruikt wat naar de nostalgiemachine waarop Hollywood recentelijk steeds meer op teert. Doctor Sleep valt gelukkig maar een klein beetje onder die noemer. Er viel duidelijk wel nog wat te vertellen over ‘the shining’ als gave. Er blijken groeperingen te bestaan die zich voeden met de stoom van kinderen die ‘shinen’ om zo het eeuwige leven te bereiken. ‘The True Knot’ is zo’n groep, met aan het hoofd Rose The Hat (Rebecca Ferguson). Zij kunnen meer dan alleen telepathisch communiceren en doden zien. Ze kunnen letterlijk in iemands hoofd kruipen, shinende mensen traceren en hypnotiseren. Tony is er niets bij.

Het is wennen, die nieuwe setting waarin we Danny terugzien. Danny lijkt dezelfde karaktertrekken te hebben als zijn vader: de liefde voor de fles. Jarenlang was alcohol het enige antidotum tegen de lijken die Danny nog steeds bezoeken. Het moment dat hij ontnuchtert, blijkt zijn shining alsnog een nut te hebben in de strijd tegen the true knot. Het vervolg op The Shining is het verhaal dat King eerder al wou vertellen: niet alleen hoe alcohol je omgeving verwoest, maar ook hoe het als medicijn kan dienen tegen demonen – en waarom het niet het beste medicijn is.

Zo kon Flanagan toch een correctief vormen op wat Kubrick uit het oog verloor. En hij slaagt er bovendien voor het merendeel in om de spanning aan te houden die ook in The Shining terug te vinden was. Doctor Sleep wil wel over heel wat iets kwijt: over alcoholmisbruik én over een losgeslagen vampierenbende én over ‘the shining’ als gave op zich. Het is tussen alle tijd-,ruimte- en narratieve sprongen door dat de film wat stilvalt. En toch, net op het moment dat je je afvraagt waarom er 151 minuten aan de sequel gewijd zijn, pronkt The Overlook Hotel opnieuw op het scherm en is het goeie ouwe onbehagen daar weer.

Doctor Sleep is geen evidente evenwichtsoefening tussen twee meesters. Het is eentje waar Flanagan zijn tijd voor nam, eerst subtiel hijgend in je oor om dan voluit naar de keel te grijpen. Geen perfecte film, maar wel een waardige opvolger door een cineast die steeds relevanter blijkt te worden voor het horrorgenre.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in