Don’t turn horses into unicorns :: De vele gezichten van Spencer Krug

Spencer Krug verwierf vooral naamsbekendheid als de minder spraakzame, maar daarom niet minder boeiende helft van Wolf Parade, de indiegroep die draait rond de Lennon-McCartney-achtige dynamiek met partner in crime Dan Boeckner. Eind oktober kruipt hij echter solo achter de piano op het Filter Festival in Trix. Het ideale moment om het rare insect dat de Canadees is vast te pinnen voor nadere inspectie.

Met een discografie als een gordiaans knoopwerk vol Canadese muzikanten als Dan Bejar (Swan Lake), Dan Boeckner (Wolf Parade) en Carey Mercer (Frog Eyes) is het muzikale universum van Spencer Krug haast te omvangrijk om volledig in kaart te brengen. Om enkele markante momenten tegen het licht te kunnen houden, doorkamden we anderhalf decennium van een odyssee. We passeerden langs de chaotische energie van Sunset Rubdown, de indierock van Wolf Parade, de meer bedaarde experimenten onder de naam Moonface, om uiteindelijk te stranden bij een artiest die in 2019 besloot de naam op zijn geboorteakte eindelijk een kans te geven.

De manische mysticus

“The buffalo have given up on the world. And Apollo? Apollo is kissing all the valley girls” (Apollo and the Buffalo and Anna Anna Anna oh”)

In dit kluwen is Sunset Rubdown (2005-2009) een beginpunt als een ander. De groep is ontstaan als het lo-fi soloproject van een rusteloze geest die de theatraliteit niet schuwt, maar werd later aangelengd tot een kwartet om Krugs barokke hersenspinsels van een kloppend hart te voorzien. De beste omschrijving gaf de groep zelf in een perstekst voor Dragonslayer (2009): “They hope it’s like that one friend of yours who looks unassuming and normal, but once you get to know him it’s obvious he’s basically crazy”.

Er valt veel te zeggen over deze band. Dat hun drukke sound en langgerekte titels haast pijnlijk kenmerkend zijn voor de (indie)jaren 2000, bijvoorbeeld. Dat het muzikaal bij momenten alle richtingen uitschoot met “more is more” als voornaamste regieaanwijzing. Dat het een wonder mag heten dat het gepijnigde instrumentarium van glockenspiel, xylofoon, keyboards, crashende drums en een zeldzame gitaar het einde van een rammelend nummer haalde. Of dat de pennenvruchten van de kopman zo cryptisch van aard bleken, dat men nog steeds niet de bijbehorende Steen van Rosetta heeft gevonden. ‘SunRub’ pleit schuldig aan alle aanklachten, maar saai werd het in elk geval nooit.

Neem nu die teksten; een verzameling manische overpeinzingen die in de architectuur van een lied gemetseld zitten. Het kan niet anders of Krug verdwaalde ooit een semester in het keuzevak Griekse Mythologie en daar dragen we met zijn allen nog steeds de gevolgen van. Maken onder meer hun opwachting in dit licht surrealistische universum: Icarus, Samson, Midas, sirenes, jakhalzen, zwanen, maagden, courtisanes, slangen en- waarom ook niet – een draak. Een tweederangs psychoanalyticus ziet hier vast iets in dat wijst op een neiging tot verbergen achter façades en metaforen waar geen touw aan vast te knopen valt, maar onder die betoverende glans ging bovenal de melancholie van een nostalgische geest schuil.

Krug, met de smart van iemand op het kantelpunt tussen jong en volwassen, toonde zich als twintiger al een kei in het empathisch bezingen van een bijna voltooid verleden tijd. Dat ging van relaties – “My god, I miss the way we used to be / Here’s a photograph for you to hold / It’s my picture right before I got old” (“Apollo And The Buffalo And Anna Anna Oh”) – over het bitterzoete besef dat men niet eeuwig het frisse, nieuwe snoepje kan zijn – “Tell the new kids where I hid the wine / tell their fathers that I’m on my way” (“Silver Moon”) – tot iemand die de wilde dagen van wijn nog geen vaarwel kan zeggen “Until the idiot in his blood settles down” (“Idiot Heart”).

Scènes die uit een droom leken weggelopen, gingen hand in hand met onverwachte tempowissels en chargerende ritmes. Wie goed keek, botste echter op unieke observaties en iets wat op een moraal leek. Al lag de enige echte zekerheid in het abrupte bochtenwerk. Terwijl men zich achteloos liet ontroeren door een sereen pianonummer als “Us Ones In Between”, lepelde Krug de luisteraar graag een bedenking binnen als “I’ve heard of creatures / who eat their babies / I wonder if they stop to think about the taste”. Vaste klanten van dit escapistisch universum keken hier nauwelijks van op. De charme van Sunset Rubdown zat hem net in het gevoel dat een mysticus je een fabel probeerde voor te lezen op een rollercoaster. Niemand wist waar het precies heen ging, maar toch bleef je hangen tot het einde van de rit.

Gebalanceerde indierock met een hoek af

“I was a dreamcatcher hanging in the window of a minivan parked along the water’s edge” (“Cloud Shadow On The Mountain”)

Diezelfde intensiteit bracht de Canadees mee naar Wolf Parade (2003-nu), waar hij tot op vandaag de helft van de songs levert en live in de huid kruipt van ‘keyboardhameraar met overslaande stem’. De aantrekkingskracht schuilt hoofdzakelijk in het heen-en-weer-spel tussen Boeckner en Krug, die elkaar leerden kennen tijdens een rotbaantje in een restaurantkeuken. De eerste is een praatvaar met een voorkeur voor strakke gitaarhooks en de looks van iemand die liever in een punkband zou spelen; de tweede een beminnelijke, maar schichtige pianoman die zich vaak ongemakkelijk lachend een weg doorheen een bindtekst worstelt. De fanbase valt al eens uiteen in Team Dan of Team Spencer, maar de som der delen wasemt een spanning uit die al op debuut Apologies To The Queen Mary (2005) voor vonken zorgde.

Zelfs nuchter achterom blikkend kan je die aanstekelijke gekte zonder blozen een indieklassieker noemen waarop de ‘vele gezichten’ van Krug je al aankijken. Denk maar aan het aan ADHD-lijdende “Fancy Claps”, de catchy meezinger “Sons And Daughters Of Hungry Ghosts”, het lang uitgesponnen “Dinner Bells” of het licht ongemakkelijke “You Are A Runner And I Am My Father’s Son”. Dat gevoel van onbehagen ontstond mede door drummer Arlen Thompson, die tijdens het schrijfproces een iets ander ritme aanhield dan Krug; maar de beslissing om het zo te houden, is wel kenmerkend voor die laatste. De excentrieke Sunset Rubdown-randjes vijlde de toetsenist er voor Wolf Parade grotendeels af, maar toch blijft er een rest weerstand en het wringende gevoel dat iets niet helemaal klopte. Het is een gave om net irritant genoeg te zijn om de dilettanten weg te jagen, maar toch aantrekkelijk genoeg te blijven om nog fans over te houden. Een goede lakmoesproef ligt in het onverwoestbare signatuurlied “I’ll Believe In Anything”. Wie deze langgerekte, energieke smeekbede van een bloedend hart niet kan smaken, begint er beter niet aan.

Het mooie stekelige liedje duurde drie albums lang, tot in 2011 de interesses van de groepsleden te ver uiteen liepen om nog samen verder te gaan en de stekker er voor een goeie vijf jaar uitging. Terwijl Boeckner in gemiddeld zeven sloten tegelijk sprong met Handsome Furs, Divine Fits en later Operators, slaagde Krug erin om zowel rust als excentriciteit te cultiveren onder de naam Moonface (2010-2018). Sommigen verliezen hun wilde haren, anderen worden simpelweg raar. Spencer doet gewoon beide.

Ondraaglijke ongrijpbaarheid

“I think maybe these days are over, over now” (“Silver Moons”)

Het nieuwe alter ego hoorde bij een nieuwe levensfase waarin een man zich plots op zichzelf teruggeplooid zag. Sunset Rubdown had zijn laatste adem uitgeblazen en het meer bekende Wolf Parade ging een periode in van “indefinite hiatus”. Krug, door niets nog gebonden aan Canada, verkaste voor twee jaar naar Helsinki, werd er onder meer vrienden met progrockband Siinai voor LP Heartbraking Bravery (2012) en fröbelde er enkele koude winters lang een verzameling pianoliederen bij elkaar. Op Julia With Blue Jeans On (2013) en de EP City Wrecker (2014) toonde hij zich van zijn meest persoonlijke en melodramatische kant. Voorzichtig werden de songs directer van aard en kroop de man vanachter zijn vreemde personages vandaan. Minder pose en performance, enkel een stem ondersteund door relatief simpel pianowerk waaruit een gelaten tristesse opkringelde. Het voelde aan als een emotionele en creatieve groeispurt: het besef dat al die toeters en bellen niet per se nodig zijn om te boeien. Misschien zat het plotse ontwaken als dertiger er voor iets tussen, want ook hier tikt het geluid van een tikkende klok hoorbaar de maat. Neem nu het prachtige “Daughter of a Dove” dat een liefdesverklaring is, een terugblik op het verleden en een momentopname van een man aan de rand van een midlifecrisis, versmelt in een ballade:

“When all of your heroes have had their sons /
And all of your heroes have had their daughters /
And all of your heroes have left you /
And all you have left is all of this water […] /
All you can do is secure your bird heart /
And sail towards the edge”

Het lijkt haast een verplichte, universele muzikantenhorde. Zelfs Nick Cave verdween achter het klavier voor The Boatman’s Call na de breuk met PJ Harvey. Ver weg van de moeilijkdoenerij en bewijsdrang eigen aan de wonderjaren, ontroert simpliciteit nog het meest.

Al zal Krug het zigzaggen tussen ongewone combinaties ongetwijfeld nooit helemaal van zich afschudden. Het verlangen niet vast te hangen aan één geluid lag aan de grondslag van Moonface. Hoe verklaart men anders de zwanenzang This One’s For The Dancer & This One’s For The Dancer’s Bouquet (2018), zwalpend tussen experimentele synthnummers en (diepe zucht) aan de Minotaurus gewijde marimbapop? ‘Makkelijk verteerbaar’ stond nooit hoog op het prioriteitenlijstje. “Tijd om wat volk weg te jagen”, dacht hij vast, toen hij een EP vol Marimba And Shit-Drums (2010) uitbracht, of een album getiteld Organ Music Not Vibraphone Like I’d Hoped (2011). Moonface was als een zak schepsnoep waar je zowel vreemde toverballen als die rare dropsoort die niemand lust, kon aantreffen. Na het afwerpen van deze veelkleurige huid, zijn verstilling en introspectie wederom aan zet.

Opgelichte sluier

“I believe in growing old with grace” (“Silver Moons”)

In 2019 lijkt Spencer Krug eindelijk een manier gevonden te hebben om, welja, Spencer Krug te zijn. Verlost van de verlegenheid die gepaard gaat met het opereren onder eigen naam kruipt de veertiger tegenwoordig half mediterend achter de toetsen. Daar mijmert hij over de meest prominente geest die door zijn teksten spookt: het verglijden van de tijd. “Time’s arrow marches forward”, weten fans van Bojack Horseman, en dat geldt al helemaal voor iemand die de opgenaaide tempo’s achter zich heeft gelaten en op kuiertempo in het midden van zijn leven is aanbeland.

Terwijl het voor Wolf Parade nog steeds beter vertoeven is onder het dak van een label (Sub Pop), koos Spencer als soloartiest voor Patreon, een populair toevluchtsoord voor artiesten die als alternatief voor de zichzelf voorbijhollende muziekindustrie liever rechtstreeks in contact staan met hun publiek. Net als bij Kickstarter ondersteunen patrons – fans die hun hart en geldbuidel openen – als hedendaagse De’ Medici de artiest van hun keuze. Het platform biedt Krug zowel de vrijheid zijn eigen werktempo te kunnen bepalen, als een ruimte voor experiment en het uitwerken van verdwaalde ideeën. Er gaat een gemoedelijke rust uit van de resultaten, net omdat niet de hele wereld meekijkt. Toch is het voorzichtig hopen dat de schakelaar niet voor eeuwig op de contemplatieve stand vastgeroest staat. Waar ouder werk de piano nog afwisselend teder of fors beroerde – een zes op de schaal van Ben Folds – is het momenteel bijzonder hard speuren naar dynamiek. Vergeet meezingers à la Wolf Parade of “de maniak die drie carnavalsnummers tegelijkertijd afspeelt” – zoals een kennis Sunset Rubdown ooit omschreef. Gezien het ontstaansproces hebben de meanderende composities meer weg van een beginpunt dan een afgewerkt eindproduct. Tegen eind 2020 worden de nummers met een “full band” opgenomen en gebundeld. Tot dan blijft het kabbelen en zoeken naar een kern.

“Don’t turn horses into unicorns”, smeekt Krug bevlogen op een van die zeldzaam wervelende nummers (“One at a Time”). Alsof alle maskers en alterego’s nu wel definitief bij het grof vuil mogen. Het is een onttoverde stemming die veel hedendaagse levens en muziek plaagt, maar in dit geval schrijven we het liever toe aan voortschrijdende leeftijden en inzichten. In het kielzog van hun bedenker bereikten de metaforen van weleer eveneens het volwassen stadium van licht mysterieuze poëzie. Al is het even vaak nog blind graaien naar betekenis. Een onschuldige twitterdraad over verkeerd begrepen lyrics dreigde eerder dit jaar te ontsporen toen verwarde fans plots massaal hoopten op verlossing na jaren van gissen naar een plot dat er misschien nooit een is geweest. Lessen werden geleerd; de belangrijkste daarvan is dat de sluier van het mysterie niet volledig hoeft te verdwijnen. Niet alle woorden zijn bedoeld om begrepen te worden, al zeker niet die van een aspirant-dichter. Het is uiteindelijk maar wat je erin wenst te zien. We ondernamen hier een verdienstelijke poging, maar de magie zit voornamelijk in het verlangen naar duiding, dat nooit echt helemaal ingelost wordt.

Hoewel (over)leven als alternatieve muzikant in 2019 allesbehalve vanzelfsprekend is, stippelt de ingetogen veteraan ondertussen verder zijn weg uit. De vijfde LP van Wolf Parade werd eerder dit jaar opgenomen en komt eind januari volgend jaar uit. Het recente vertrek van bassist Dante Decaro herleidde de band tot dad rock trio, maar wel eentje waar het ontbreken van een geluidsbepalend groepslid de creatieve waakvlam noodgedwongen aanwakkert. En Krug? Wanneer niet op tournee, woont hij te midden van de natuur op Vancouver Island. Daar componeert hij maandelijks een nummer voor zijn patrons en klinkt hij als de meest onthaaste persoon ter wereld. Meestal toch. Die “idiot in his blood” gaat dan misschien de jaren van wijsheid in, maar dat aura van ongrijpbaarheid zal wellicht nooit helemaal verdwijnen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in