Ivo Victoria :: Alles is oké

Amerikanen noemen het “The long goodbye”, wij rotprozaïsch: dementie. Het maakt geen verschil: als een mens sterft, verdwijnt een bibliotheek, zo wil het spreekwoord. Met Alles is oké deed Ivo Victoria een manmoedige poging toch een stukje van zijn moeder voor eeuwig te bewaren.

“Ik heb lasagne meegebracht.” Dat is de eerste, nogal prozaïsche zin. Het zet niettemin de toon. De vijfde roman van Ivo Victoria baadt in de intimiteit van die onverbrekelijke band tussen een moeder en haar zoon. Tweehonderd bladzijden lang zal de schrijver op bezoek komen, of niet komen en stilletjes kapotgaan in de wetenschap dat iets onherroepelijk aan het gebeuren is.

Alzheimer, dus. Victoria laat het 179 pagina’s onuitgesproken hangen, maar je voelt het in elke beschrijving, elke passage waarin het licht in de ogen plots even weg is, hoe zijn moeder langzaam afglijdt, almaar minder voor zichzelf kan zorgen. Het had het recept kunnen zijn voor een zwaarmoedig moederboek, maar dat zou het niet worden. Dat was de Nederbelg aan zijn stijl verplicht. Alles is oké dartelt bijna even lichtvoetig door het leven als zijn voorgangers, al valt de pijn tussen de regels niet te ontwijken.

Toch klinkt er een wrange glimlach door. Bijna onopvallend laat Victoria het relaas over zijn moeders neergang verglijden in een verhaal uit haar verleden, waarin ze als Mevrouw Stevens door het leven ging, en een carrière als godsdienstlerares had. Met leesbaar plezier probeert de zoon het verhaal van haar heroïsche strijd met directeur Mijnheer Pauwels te reconstrueren, hoe ze hem die keer eens “flink haar gedacht had gezegd”.

Het is niet meer dan een voorwendsel, een plot om het leven te kunnen reconstrueren van een oorlogskind, dat opgroeide tijdens de Wederopbouw, volwassen werd in die stille jaren vijftig, een vrouw en een moeder in de jaren zestig en zeventig. Met rake, eenvoudige zinnen weet Victoria het Vlaanderen van toen te schetsen. De oorlog tussen Witten en Zwarten woedde, maar een kind had de tijd van haar leven: ‘Nee, echt. Den oorlog. Dat was formidabel.’

Alsof het evenzeer kinderspel is, schiet Victoria heen en weer tussen dat volkse vertellen van zijn moederke en het stijfdeftige van de Mevrouw Stevens die ze wilde zijn. Tenslotte was ze “een van de serieuzen“, zo noteert hij uit haar mond, en je ziet haar waardig schrijden door de gangen van de school. Dat deed je toen, als je jezelf een beetje ‘van stand’ achtte.

Het is het aloude verhaal van die tijd. Een maatschappij waarin mensen elkaar op dwangneurotische wijze in de gaten hielden, en waarin de “schone schijn” tot een kunstvorm werd verheven. Mevrouw Stevens zal het tot aan haar dood volhouden, zo ontdekt de zoon tot zijn ontzetting. Victoria beschrijft het liefdevol, zonder te veroordelen; dat was hoe het toen was. Zoals in het gezin waar hij opgroeide ook alles ‘op hun manier’ werd gedaan; je stelt geen vragen bij hoe het gaat, je plooit mee.

Na de jeugdnostalgie van Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) en Dieven van vuur is dit de derde roman waarin Victoria diep in zijn eigen verleden duikt. Hij mag dat. Niemand kan het flandre profonde van de moderne kleinburgerij met zoveel mededogen en zo treffend neerzetten. Alles is oké laat zien dat Victoria alleen maar beter wordt, en naar het lijkt nog niet aan zijn top toe is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in